Crisisheffing

Op grond van de regeling van de pseudo-eindheffing hoge lonen (crisisheffing) moesten werkgevers in 2013 een heffing van 16% afdragen over het in 2012 belaste loon voor zover dat loon van de werknemer meer dan € 150.000 bedroeg. De crisisheffing is op 26 april 2012 in een persbericht aangekondigd. Op 25 mei 2012 werd duidelijk dat de crisisheffing verschuldigd was over het gedurende het gehele jaar 2012 genoten loon. De crisisheffing is op 17 juli 2012 in het Staatsblad gepubliceerd en op 1 januari 2013 in werking getreden. De crisisheffing had daardoor terugwerkende kracht, zowel ten opzichte van de inwerkingtreding als ook ten opzichte van de aankondiging. De crisisheffing is met een jaar verlengd en moest in 2014 worden afgedragen over loon genoten in 2013. De verlenging is ook pas in de loop van 2013 bekendgemaakt. In beide gevallen diende de crisisheffing maar één doel: terugdringen van het begrotingstekort ontstaan door de economische crisis.

(Proef)procedures

Er worden (proef)procedures gevoerd (met name) om antwoord te krijgen op de vraag of de terugwerkende kracht van de crisisheffing in 2013 en 2014 in strijd is met het recht op ongestoorde eigendom van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Veel werkgevers hebben bezwaar ingediend tegen de crisisheffing en hebben aansluiting gezocht bij deze proefprocedures. Het algehele beeld tot op heden was dat de rechtbanken en het gerechtshof oordeelden dat de crisisheffing gerechtvaardigd is. De Advocaat-Generaal kwam echter onlangs in zijn advies aan de Hoge Raad nog tot de conclusie dat de crisisheffing niet verder kan terugwerken dan het moment waarop duidelijk werd dat de crisisheffing verschuldigd was over het gedurende het gehele jaar genoten loon, 25 mei 2012 voor de crisisheffing 2013 en 17 september 2013 (Prinsjesdag) voor de crisisheffing 2014. De Advocaat-Generaal bevestigde hiermee dat de crisisheffing niet in alle situaties (volledig) kon worden toegepast.

Arresten Hoge Raad

Op 29 januari heeft de Hoge Raad voor de eerste keer (in twee procedures) arrest gewezen over de rechtmatigheid van de crisisheffing 2013 en 2014. De Hoge Raad gaat voorbij aan het advies van de Advocaat-Generaal en oordeelt – met een weinig kritische houding op de wetgeving – dat wel sprake is van gerechtvaardigde terugwerkende kracht en geen strijd met het recht op ongestoorde eigendom van het EVRM. Het gevoel bekruipt dat de Hoge Raad met een politiek gezinde blik de zaak heeft afgedaan door de begrotingsproblemen van de overheid zwaarder te laten wegen dan de gerechtvaardigde verwachtingen van werkgevers ten aanzien van de af te dragen loonbelasting.

Met deze arresten valt (waarschijnlijk) het symbolische 'doek' voor de vele werkgevers die een bezwaarschrift hebben ingediend tegen de crisisheffing. Er loopt nog een aantal andere (proef)procedures. Echter, in de uitspraken van de Hoge Raad zijn algemeen geldende argumenten aan de orde gesteld zodat te verwachten is dat de Hoge Raad ook in de andere (proef)procedures zal oordelen dat de crisisheffing niet in strijd is met het Europees eigendomsrecht.

Mogelijk wordt de terugwerkende kracht van de crisisheffing nog voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Wellicht dat zij het begrotingstekort minder laat prevaleren in haar overwegingen.