Inleiding

Uit het verslag dat in juli 2013 werd opgesteld door de expertengroep “Concurrentievermogen en Werkgelegenheid” en uit het jaarlijkse technisch verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven is gebleken dat de Belgische bedrijven wederom aan concurrentievermogen hebben ingeboet ten opzichte van onze voornaamste buurlanden (Duitsland, Nederland en Frankrijk). De loonkostenkloof is met andere woorden blijven stijgen ondanks de eerder genomen maatregelen, waardoor de Belgische loonkosten nog steeds tot de hoogste in Europa behoren.

Vanwege deze reden heeft de Europese Commissie dan ook aan België gevraagd om het concurrentievermogen van haar bedrijven te herstellen. Een vraag die bij de nieuwe regering niet in dovenmansoren is gevallen, gezien zij zich voorgenomen heeft om de loonhandicap met de buurlanden die sinds 1996 waargenomen wordt vóór het einde van haar legislatuur weg te werken. De regering Michel I wil dit meer bepaald doen aan de hand van volgende maatregelen:

  • Een indexsprong in 2015;
  • Het vervoegen van de lastenverlagingen die voorzien waren in het zogenaamde competitiviteitspact;
  • Een verdere periode van loonmatiging in 2015 en 2016, of toch ten minste zolang de competitiviteit niet hersteld is.

Maatregelen met betrekking tot loonmatiging

In het verleden is gebleken dat de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen haar doel gemist heeft om in een definitieve regeling te voorzien om de loonevolutie onder controle te houden. De regering Michel I probeert om diverse pijnpunten van deze wet nu weg te werken via een wetswijziging. Hieronder worden de pijnpunten (•) uiteengezet, samen met de door de regering Michel I voorgestelde wijzigingen (-). 

  • De loonnorm moet door de sociale partners bepaald worden in hun bekend tweejaarlijks interprofessioneel akkoord (een “IPA”) en niet door de wetgever. Daarbij opteerden de sociale partners in hun laatste IPA (voor 2009-2010) voor een ‘indicatieve’ loonnorm, die moeilijk afdwingbaar is. 
    • De regering wil de wet van 26 juli 1996 in de eerste plaats aanpassen zodat de loonkostenhandicap bij elk IPA verminderd wordt. 
    • Daarnaast mogen de sociale partners bij het bepalen van de loonnorm niet enkel meer rekening houden met de vooruitzichten voor de komende twee jaar, maar moeten zij ook rekening houden met de loonkostenevolutie van de laatste twee jaar, telkens in vergelijking met de referentielanden. Zo zullen de lastenverlagingen dan ook afhankelijk gemaakt kunnen worden van de echte loonevolutie. 
    • De loonsubsidies die in aanmerking worden genomen voor het meten van de loonhandicap, moeten verder bepaald worden bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad. 
    • De loonnorm moet het voorwerp uitmaken van een collectieve arbeidsovereenkomst die afgesloten moet worden in de schoot van de NAR, indien er een akkoord is gevonden tussen de sociale partners. Indien er geen akkoord is, zal de loonnorm bepaald worden bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit. 
  • De wet van 26 juli 1996 werd onvoldoende gehandhaafd, ondanks het gegeven dat zij voorziet in sancties. 
    • De bepalingen van artikel 9 van de wet zullen strenger gemaakt worden, opdat er een efficiënter toezicht ingevoerd kan worden op elke collectieve arbeidsovereenkomst die een hogere loonevolutie dan de loonnorm voorziet of daarin resulteert.
    • Er zal een automatisch correctiemechanisme ingevoerd worden voor de vastgestelde overschrijdingen. 
  • De wet was enkel van toepassing op bedrijven in de privésector, waardoor overheidsbedrijven aan de dans ontsprongen. 
    • De overheidsbedrijven (Belgacom, Bpost, enz.) zullen binnen het toepassingsgebied van de wet van 26 juli 1996 vallen. 

Slotbemerkingen

De wet van 26 juli 1996 blijft onvolkomenheden vertonen, ook al zullen bepaalde pijnpunten van de wet aangepakt worden . Zo blijft het systeem van automatische loonindexering onaangetast en heeft de loonnorm nog steeds geen betrekking op eenzijdige verbintenissen. Het valt met andere woorden af te wachten in welke mate gebruik gemaakt zal worden van deze ‘achterpoortjes’ van de wetgeving en in welke mate de geplande wetswijzigingen door de regering Michel I hun gewenste effect zullen bereiken.