Vrijwel alle gemeenten hebben in de loop van de vorige eeuw met de binnen hun grondgebied actieve netbeheerders (waaronder drinkwaterbedrijven) duurovereenkomsten gesloten met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. Dergelijke overeenkomsten staan in de regel in de weg aan het heffen van precariobelasting van deze netbeheerders voor de aanwezigheid van hun kabels en leidingen in gemeentegrond. Daarnaast is in veel gevallen overeengekomen dat de gemeente eventuele verlegkosten van de netbeheerder zal vergoeden, indien zij door de gemeente wordt gedwongen om een kabel of leiding te verleggen.

De wereld heeft sinds het sluiten van die overeenkomsten echter​ niet stilgestaan. Enerzijds zijn gemeenten – mede in verband met de druk op hun begroting als gevolg van hun nieuwe taken in het kader van het sociaal domein – op zoek naar additionele inkomstenbronnen. Anderzijds bestaat er tegenwoordig juridisch geen noodzaak om als gemeente in alle gevallen de volledige verlegkosten te dragen. Een aantal gemeenten heeft mede om deze redenen besloten om de in het verleden gesloten overeenkomsten met de netbeheerders op te zeggen. Dat zou immers de weg vrij maken om precariobelasting van netbeheerders te heffen en niet langer de integrale verlegkosten aan hen te vergoeden.

Rechtbank Gelderland

De rechtbank Gelderland heeft recentelijk de rechtsgeldigheid van een dergelijke opzegging beoordee​ld.

Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat duurovereenkomsten gesloten voor onbepaalde tijd en waarin niet is voorzien in een opzegmogelijkheid, in beginsel door beide partijen kunnen worden opgezegd (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, De Ronde Venen/Stedin en HR 14 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ4163, Auping/Beverslaap). De redelijkheid en billijkheid kunnen onder omstandigheden echter een uitzondering op dit uitgangspunt meebrengen, waardoor een zwaarwegende reden aan een opzegging ten grondslag moet liggen dan wel bij de opzegging een redelijke opzegtermijn in acht moet worden genomen of de opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot schadevergoeding.

Het geval waarop de uitspraak van de rechtbank Gelderland betrekking had, betrof de opzegging van een dergelijke duurovereenkomst door de gemeente Voorst met het drinkwaterbedrijf Vitens. De rechtbank oordeelde dat de inhoud van de Drinkwaterwet noch de gevolgen die het heffen van precariobelasting voor een drinkwaterbedrijf met zich brengen, aan de opzegging van een dergelijke overeenkomst in de weg staan. De rechtbank oordeelde derhalve dat de gemeente geen zwaarwegende reden nodig had om tot opzegging van de met het drinkwaterbedrijf gesloten overeenkomst over te gaan. Dus ook in het geval dat drinkwaterbedrijven vanwege het heffen van precariobelasting (financieel) nadeel zullen ondervinden en de (maatschappelijke) kosten van drinkwater hierdoor (in potentie) zouden stijgen, kan de gemeente in beginsel tot opzegging van de vorenbedoelde overeenkomst overgaan.

Nu de overeenkomst rechtsgeldig was opgezegd – in casu met een opzegtermijn van zes maanden – heeft de desbetreffende gemeente de mogelijkheid om precariobelasting te gaan heffen van het drinkwaterbedrijf voor de aanwezigheid van de in de gronden van de gemeente liggende (water)leidingen. Daarnaast is de gemeente niet meer gehouden om de volledige verlegkosten te betalen in het geval van een gedwongen verlegging.

Conclusie

Gelet op het voorgaande verbaast het dan ook niet dat verschillende netbeheerders inmiddels trachten om de overeenkomsten die zij in het verleden met gemeenten hebben gesloten, opnieuw uit te onderhandelen. Dit laatste (vooral) met oog op het overeenkomen van een regeling omtrent de (on)mogelijkheid om die overeenkomsten op te zeggen. Daar is natuurlijk niets mis mee, maar voor gemeenten is het wel van belang om te bedenken welke mogelijkheden het opzeggen van de oude duurovereenkomsten met netbeheerders de gemeente biedt en welke noodzaak er tegenwoordig nog bestaat om dit soort overeenkomsten met netbeheerders te sluiten.