Vanaf 1 mei 2017 kan een RUP zowel een kernwinkelgebied als een winkelarm gebied afbakenen. Ook oppervlaktenormen worden mogelijk. Dit moet een gemeente toelaten om bijvoorbeeld een pop-up beleid te voeren of leegstaande winkelpanden te activeren.

Op 1 mei 2017 treedt artikel 10, § 1 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid in werking. Deze bepaling geeft aan de gemeenten en de provincies een aantal mogelijkheden om een integraal handelsvestigingsbeleid te voeren.

Mogelijkheden: kernwinkelgebieden, winkelarme gebieden, oppervlaktenormen

Artikel 10, § 1 van het decreet betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid laat de gemeenten toe om in een RUP:

  • kernwinkelgebieden af te bakenen;
  • winkelarme gebieden af te bakenen;
  • oppervlaktenormen van de categorieën van kleinhandelsactiviteiten te bepalen en te differentiëren naargelang het nieuwe of bestaande bedrijven betreft;
  • de termijnen vanaf wanneer de omgevingsvergunningsplicht voor kleinhandelsactiviteiten geldt, te verkorten.

De provincies beschikken over dezelfde mogelijkheden, met dien verstande dat zij enkel winkelarme gebieden met een gemeentegrensoverschrijdende impact kunnen afbakenen. De provincies kunnen de termijn vanaf wanneer de omgevingsvergunningsplicht voor kleinhandelsactiviteiten geldt, niet inkorten.

Gemeenten en provincies kunnen ook oppervlaktenormen in een RUP vastleggen. Dit moet hen toelaten proactief te bepalen welk soort(en) categorie(ën) van kleinhandelsactiviteiten en met welke oppervlakte ruimtelijk inpasbaar is.

Pop-up beleid à la carte

De gemeenten kunnen vanaf 1 mei 2017 in een RUP voorzien dat een pop-up zaak vanaf 1 dag exploitatie een omgevingsvergunning voor kleinhandelszaken nodig heeft, zodat een gemeente een gericht beleid voor dergelijke zaken kan voeren. Deze bepaling moet de gemeenten toelaten om voor pop-up's maatwerk te voorzien.

Belangrijke beperking: enkel beleid binnen de doelstellingen

De mogelijkheid om de vergunningsplicht te reguleren en/of om (maximale) oppervlaktenormen te bepalen, kan een aantrekkelijk instrument zijn om een kernversterkend beleid of een beleid voor perifere handelszaken te voeren.

Deze mogelijkheid moet wel kaderen in de vier doelstellingen van het decreet betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid, nl:

  1. het creëren van duurzame vestigingsmogelijkheden voor kleinhandel, met inbegrip van het vermijden van ongewenste kleinhandelslinten;
  2. het waarborgen van een toegankelijk aanbod voor consumenten;
  3. het waarborgen en versterken van de leefbaarheid in het stedelijk milieu, met inbegrip van het versterken van kernwinkelgebieden;
  4. het bewerkstelligen van een duurzame mobiliteit.

Deze doelstellingen zijn dwingende redenen van algemeen belang die de opmaak van regelgeving inzake kleinhandelsactiviteiten verantwoorden.

De mogelijkheid van artikel 10, § 1 mag dan ook geen voorwendsel zijn om een (puur) economisch beleid te voeren inzake kleinhandel, want dat zou in het vaarwater kunnen komen van de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en op de Dienstenrichtlijn.

Wanneer een gemeente dus oppervlaktenormen wil voorzien, mogen deze niet (louter) economisch geïnspireerd zijn, maar moeten zij op andere motieven (zoals de ruimtelijke – of mobiliteitsimpact van een bepaalde categorie van kleinhandelsactiviteiten) zijn gesteund.

Het is afwachten of en op welke wijze de lokale besturen deze nieuwe mogelijkheid zullen gebruiken.