Inleiding

Wonen en industriële bedrijvigheid op korte afstand van elkaar levert hersenkrakers op voor gemeenten en spanningen tussen omwonenden en bedrijven. Bij geurhinder van bedrijven gaat het om de geurbelasting die een bedrijf veroorzaakt op in de nabijheid gelegen geurgevoelige objecten, zoals woningen. Sinds 1990 is de omvang van geurhinder door de industrie sterk afgenomen, maar de landelijke doelstellingen zijn nog niet gehaald. Er kan nog steeds sprake zijn van ernstige geurhinder. Gemeenten doen er daarom goed aan aandacht te hebben voor geurhinder bij nieuwe ontwikkelingen en het ontwikkelen van gemeentelijk geurbeleid schept voor iedereen duidelijkheid.

Hieronder wordt nader ingegaan op industriële geurhinder en wordt het Zaans geurbeleid en het geurbeleid voor Douwe Egberts besproken. Voor veehouderijen geldt afzonderlijke wetgeving; het Activiteitenbesluit of de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Geurhinder door veehouderijen blijft hier buiten beschouwing.

Geurbeleid als belangrijk toetsingsinstrument

Gemeenten moeten bij de toetsing van woningbouwplannen (ruimtelijke ordening) en bij het verlenen van omgevingsvergunningen aan industriële bedrijven bij wijziging of uitbreiding van hun processen het aanvaardbaar geurhinderniveau vaststellen. Alleen het bevoegd gezag kan aangeven wat in een bepaalde situatie een aanvaardbaar geurhinderniveau is. Om dit te doen, keken gemeenten altijd naar de NeR, maar de geurvoorschriften van de NeR zijn sinds 1 januari 2016 opgegaan in het Activiteitenbesluit. Een algemene systematiek om het geurhinderniveau te bepalen, met achtergrondinformatie, is opgenomen in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen) te bekijken op de website van Infomil. Bij het vaststellen van het geurhinderniveau spelen lokale geurbeleidskaders een grote rol. Gemeenten stellen daarom regelmatig algemeen geurbeleid vast voor hun gemeente of een specifiek geurbeleid voor een bepaalde situatie. Zo ook begin dit jaar de gemeenten Zaanstad en De Fryske Marren.

Zaans geurbeleid en Geurbeleid Douwe Egberts

De gemeenten Zaanstad en De Fryske Marren hebben begin 2016 geurbeleid bekend gemaakt, waarbij Zaanstad algemeen beleid, het Zaans geurbeleid, heeft opgesteld voor de aanwezige (voedingsmiddelen)industrie (o.a. cacaobonen verwerkende bedrijven) en De Fryske Marren specifiek beleid in verband met de aanwezigheid van koffiebedrijf Douwe Egberts in Joure (Geurbeleid Douwe Egberts). Alvorens nader op het beleid in te gaan, wordt ingegaan op geurbeleving wat zeker één van de aspecten is die worden meegewogen bij het vaststellen van een aanvaardbaar geurhinderniveau.

Geurbeleving: overlast en ernstige hinder vs. acceptatie

Geurhinder wordt op basis van geurmetingen en verspreidingsberekeningen voorspeld. Daarbij speelt ook de hedonische waarde (de mate waarin een geur als onaangenaam wordt bestempeld) een belangrijke rol. In de praktijk blijkt echter dat de daadwerkelijke beleving behoorlijk kan afwijken.

Cacao en koffie: ruikt dit lekker? In ieder geval blijkt de beleving van deze geuren heel anders te zijn. Uit de afwezigheid van geurklachten en het ontbreken van ernstige hinder in Joure blijkt dat er een hoge acceptatie is van de (huidige) geurbelasting van DE. Uit Telefonische Leefsituatie Onderzoeken (TLO's) is voorts gebleken dat de woontevredenheid het grootst is in de hoogst belaste delen van de dichtstbij gelegen woonwijk. Dit is anders in Zaanstad. Daar blijkt uit onderzoeken dat een groot deel van de bevolking soms, of zelfs vaak, last heeft van geur. Deze andere beleving leidt Zaanstad en De Fryske Marren tot een verschillende aanpak van geurhinder.

Verschillende aanpak: een inspiratiebron

Het geurbeleid voor DE wordt gestoeld op de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering, waar voor koffiebranderijen voor het aspect geur een afstand van 500 meter wordt geadviseerd tussen het bedrijf en woningen. Bij het aanhouden van deze afstand zou de geurimmissieconcentratie in de huidige feitelijke bedrijfssituatie op de grens van het 500 metergebied 7,0 ouE/m3 als 98-percentiel bedragen. Daarbij wordt door de gemeente onderkend dat deze beduidend hoger ligt dan de vaker (b.v. in de provincie Zuid-Holland) gehanteerde maximale norm van 5,0 ouE/m3 als 98-percentiel.

Gelet op het belang van DE voor Joure wordt deze huidige feitelijke situatie acceptabel geacht en wordt deze vastgelegd als (maximaal toe te laten) toetsingswaarde. Binnen de zone zal niet meer worden meegewerkt aan nieuwe ontwikkelingen van geurgevoelige functies en met de ervaring uit de leefbaarheidsonderzoeken kan buiten die zone ruimte geboden worden aan nieuwe initiatieven.

Het Zaans geurbeleid is geënt op het geurbeleid van de provincies Zuid-Holland en Gelderland. Het gaat veel verder dan het geurbeleid in de hierboven geschetste situatie en wil geurhinder in de hele gemeente af laten nemen. Er worden twee niveaus onderscheiden: de basiskwaliteit en de ambitiekwaliteit. Deze niveaus resulteren per bedrijf in individuele geurcontouren voor dat bedrijf, bijvoorbeeld bij een minder onaangename geur ligt de geurcontour op 2,5 ouE/m3 als 98-percentiel. Deze contouren zijn van belang om te kunnen bepalen of een nieuw geurgevoelig object in de buurt van een bedrijf toegestaan kan worden. De basiskwaliteit dient in 2020 te worden bereikt, met uitzondering van cacaobedrijven die in 2025 moeten voldoen aan de basiskwaliteit. De ambitiekwaliteit moet in principe in 2030 zijn gerealiseerd.

Deze verschillende aanpak van geurhinder kan een inspiratiebron zijn voor andere gemeenten. Het vaststellen van geurbeleid schept in ieder geval duidelijkheid over het toetsingskader dat de gemeente hanteert bij de beoordeling van nieuwe ruimtelijke initiatieven of nieuwe initiatieven van bedrijven. Dus hopelijk volgen andere gemeenten ook. In ieder geval kan met het vaststellen van geurbeleid worden voorgesorteerd op de komende Omgevingswet. Het kan immers als input voor een omgevingsvisie worden gebruikt.