Met zijn nieuw verworven bevoegdheden ten gevolge van de zesde staatshervorming, heeft het Waalse Parlement op 4 februari een decreet betreffende de handelsvestigingen aangenomen. De socio-economische vergunningen (nu “Handelsvestigingsvergunning” (permis ’implantation commerciale'), voorheen een federale materie, zijn nu ondergebracht bij de gewesten. Het Waalse Gewest volgt in de voetstappen van het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest, waarvan de  ordonnantie in werking is getreden op 1 juli 2014.

Het toepassingsgebied van het decreet is bijzonder groot aangezien elk project van handelsvestiging eraan onderworpen is, zowel de bouw als haar eventuele uitbreiding, haar uitbating en bij belangrijke aanpassingen aan de aard van de uitgeoefende activiteit.

Twee drempels gelden voor  het verlenen van de handelsvestigingsvergunningen, te weten 400m² en 2.500². Onder de minimumdrempel van 400m² is het verkrijgen van een handelsvestigingsvergunning niet vereist. Boven de 2.500m² is de bevoegde overheid niet langer de gemeente, maar het Waalse Gewest krachtens zijn functionaris voor handelsvestigingen. De bedoeling van de wetgever is enerzijds de strengste bepalingen van het decreet betreffende de handelsvestigingen te beperken tot handelsvestigingen die een belangrijke impact hebben op het commerciële landschap in Wallonië, en anderzijds het Gewest te betrekken bij de goedkeuringsbeslissingen van grootschalige handelsprojecten.

De beslissing tot het verlenen of het weigeren van een handelsvestigingsvergunning wordt gemotiveerd door de volgende vier criteria: (i) de bescherming van de consument, (ii) de bescherming van de stedelijke omgeving, (iii) de sociaal-politieke doelstellingen, en (iv) de bijdrage aan een duurzame mobiliteit. Verder wordt de beslissing van de bevoegde overheid omkaderd door gewestelijke en gemeentelijke schema’s van handelsvestigingen die, op termijn, zal bestaan uit documenten met betrekking tot oriëntatie, beheer en de Waalse handelsontwikkelingsprogramma’s.

De handelsvestigingsvergunning heeft in principe een onbeperkte duur, dit is in navolging van de oude federale socio-economische vergunning en de huidige Brusselse handelsvestigingsvergunning. De Regering voorziet zich niettemin van de bevoegdheid om een maximale geldigheidsduur (lees “bepaalde duur”) vast te leggen voor vergunningen voor handelsvestigingsprojecten die zij aanduidt.

De bedoeling van de wetgever is lovenswaardig aangezien dit een periodieke evaluatie van de handelsvestigingsvergunningen toelaat met het oog op de evolutie van het commerciële landschap in Wallonië. Toch geeft ze aanleiding tot  verschillende kritieken, zowel van economische als juridische aard. Wat is nog de economische waarde van een handelszaak of een handelscomplex als de vergunning vervalt na een kort tijdsbestek en er geen enkele garantie op hernieuwing bestaat? Wat is de impact voor een handelaar-huurder als de activiteit niet meer wordt gedekt door een handelsvestigingsvergunning in de door hem gehuurde plaatsen? Blijft hij dan gebonden door zijn huur? Heeft men geen systeem aan  twee snelheden gecreëerd: aan de ene kant  commerciële projecten die van een vergunning van onbeperkte duur kunnen genieten (ingevolge de oude federale wet of het decreet) en zij die niet van zo’n onbeperkte vergunning kunnen genieten?

Met betrekking tot de procedure, betekent het decreet een vereenvoudiging aangezien het  eengeïntegreerde vergunning creëert die de aflevering van één enkele machtiging toelaat in drie verschillende administratiefrechtelijke domeinen (milieu, stedenbouw en handelsvestigingen). De aanvragen voor een vergunning zijn zo gegroepeerd om de werklast voor de aanvrager die door de verschillende vergunningsaanvragen voor eenzelfde project worden veroorzaakt, te vereenvoudigen en om een grotere juridische zekerheid te garanderen vanaf het moment dat deze enige vergunning is verleend.

Vandaag is het nog te vroeg om het decreet betreffende de handelsvestigingen te evalueren . Haar juridische en economische impact en de verwachtte meerwaarde moeten worden bekeken in de praktijk die zich zal ontwikkelen en de verschillende uitvoeringsbesluiten (die  trouwens de inwerkingtreding van het decreet bepalen ) waarvan de aanneming noodzakelijk zal zijn.