Op 17 december 2014 deed de Afdeling een uitspraak over het belanghebbendebegrip die opmerkelijk is. De gemeente Amsterdam werd daarin als belanghebbende aangemerkt in haar hoedanigheid van enig aandeelhouder van het Havenbedrijf Amsterdam. Zou dit een nieuwe loot zijn aan de boom van het leerstuk van de “parallelle belangen” waarmee de Afdeling de niet-ontvankelijkheid van afgeleid-belanghebbenden heeft ingeperkt?

Het ging in deze zaak om de vaststelling door de gemeenteraad van Velsen van het bestemmingplan “Zeezicht”. Tegen dit bestemmingsplan stelden onder andere het Havenbedrijf en de gemeente Amsterdam (de rechtspersoon) beroep in. De gemeenteraad van Velsen betoogde dat het beroep van de gemeente Amsterdam niet ontvankelijk moest worden verklaard, omdat zij geen belanghebbende was bij het bestreden besluit. De Afdeling overwoog als volgt:

2.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan 

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient sprake te zijn van een voldoende objectief, actueel, eigen, persoonlijk belang dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. 

2.2. In het Noorderbuitenkanaal in de gemeente Velsen is een overslaginrichting gevestigd, die bestaat uit twee afmeerpalen. Hier kunnen bulkcarriers afmeren, waarna een deel van de lading (hierna: bulk) door middel van het zogenoemde “lichteren” kan worden overgeslagen naar kleinere schepen en duwbakken. Daardoor vermindert de diepgang van de zeeschepen zodanig dat het Noordzeekanaal kan worden bevaren en de haven van Amsterdam kan worden bereikt. 

Deze overslaginrichting wordt aangeduid als de lichterlocatie “IJ-palen”.

2.3. Voor de lichterlocatie “IJ-palen” is een milieuvergunning verleend aan het Havenbedrijf. De gemeente Amsterdam, die enig aandeelhouder is van het Havenbedrijf, heeft erop gewezen dat zij belang heeft bij de voortzetting en uitbreiding van de lichteractiviteiten ter plaatse. Volgens de gemeente wordt zij door de in het plan voorziene maximering van de lichtercapaciteit getroffen in haar vermogensrechtelijke belangen als publiekrechtelijke rechtspersoon, onder meer omdat schepen, indien de maximale lichtercapaciteit is bereikt, genoodzaakt zijn om uit te wijken naar andere havens. Hierdoor loopt zij niet alleen inkomsten in de vorm van havengelden mis, maar ook vreest zij dat dit zal leiden tot een verslechtering van de concurrentiepositie van de Amsterdamse haven, hetgeen nadelige economische en financiële gevolgen kan hebben en ten koste kan gaan van de werkgelegenheid in Amsterdam. Ook vreest de gemeente Amsterdam dat dit kan leiden tot leegstand in het havengebied en tot lagere grondprijzen. 

De Afdeling acht niet uitgesloten dat de gemeente Amsterdam de door haar omschreven gevolgen van het bestreden besluit kan ondervinden, zodat daarin voldoende grond is gelegen voor het oordeel dat de belangen van de gemeente Amsterdam rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken.

Opmerkelijk aan rechtsoverweging 2.3 is dat de gemeente Amsterdam een aantal belangen noemt die primair belangen van het havenbedrijf zijn en die voor haar alleen financiële consequenties hebben als aandeelhouder. Normaal gesproken zou dat tot niet-ontvankelijkheid leiden, omdat aandeelhouders niet rechtstreeks geraakt worden maar via hun aandeelhouderschap. Zij hebben een afgeleid belang. Een typisch voorbeeld is de Afdelingsuitspraak van 6 december 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AZ3734). Daar merkt de Afdeling wel de exploitant van een supermarkt en de eigenaar van het perceel waarop de supermarkt is gevestigd als belanghebbenden aan, maar niet de aandeelhouder van de exploitant en evenmin de bestuurder van de eigenaar.

Nu bestaat er al wel enige tijd een jurisprudentielijn op grond waarvan zogenaamde dga’s (directeuren-grootaandeelhouders) mede als rechtstreeks belanghebbenden worden aangemerkt, omdat hun belang zodanig verweven is met dat van de vennootschap waarvan zij dga zijn, dat deze belangen vereenzelvigd moeten worden. Zie bijvoorbeeld AbRvS 8 juni 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AN6707, AbRvS 24 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2816 en recent nog AbRvS 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3200.

Het is echter de vraag of deze jurisprudentie ook is toegepast op de gemeente Amsterdam. De standaardformulering die in de zojuist genoemde uitspraken wordt gebruikt (“gelet hierop is het belang van belanghebbende B zo verweven en loopt dit parallel met dat van belanghebbende A…”) vinden wij niet terug. Bovendien is de gemeente Amsterdam weliswaar enig aandeelhouder van het Havenbedrijf, maar is zij geen dga. De door het Havenbedrijf uitgegeven brochure “Zelfstandig Verstandig” leert dat het Havenbedrijf sinds 1 april 2013 is verzelfstandigd in de vorm van een Naamloze Vennootschap met een driekoppige directie en een Raad van Commissarissen die bestaat uit drie tot zeven leden. Kortom, de verhouding tussen de gemeente Amsterdam en het Havenbedrijf verschilt niet veel van die tussen een moeder- en dochtervennootschap in een gewoon concern.

Een andere verklaring voor het oordeel van de Afdeling zou kunnen zijn dat in rechtsoverweging 2.3 ook belangen gevonden kunnen worden die de gemeente Amsterdam rechtstreeks raken, zoals de werkgelegenheid in Amsterdam, leegstand in het havengebied en lage grondprijzen (de gemeente is eigenaar gebleven van het onroerend goed in de haven). In dat geval zou het duidelijker zijn geweest als de Afdeling had aangegeven dat het (slechts) die belangen zijn die de gemeente Amsterdam tot rechtstreeks belanghebbende maken, los van haar rol als grootaandeelhouder van het havenbedrijf.

Hoewel de strikte lijn die de Afdeling gewoonlijk hanteert bij de vraag of de juiste vennootschap beroep heeft ingesteld, soms hard kan uitpakken, lijkt het toch verstandig dat zij aan die lijn vasthoudt. Als immers enig-aandeelhouderschap voldoende is om te kwalificeren als rechtstreeks belanghebbende, waarom zou dan niet ook een meerderheidsbelang daarvoor voldoende zijn? En hoe zit het dan met grootmoeders, kleindochters, zusters, nichten en alle andere “familieverbanden” die in concernverhoudingen kunnen voorkomen?