Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) heeft op 5 maart 2015 nadere uitleg gegeven over de toepassing van de uitzondering voor de privékopie, naar aanleiding van prejudiciële vragen over het Deense thuiskopiesysteem.[1] In Denemarken zijn geheugenkaarten voor mobiele telefoons aan thuiskopieheffing onderhevig en de vraag was of dit systeem wel in overeenstemming is met Europees recht.

Privékopiëren

In het arrest wordt door het Hof antwoord gegeven op acht (door haar geherformuleerde) prejudiciële vragen ten aanzien van artikel 5 lid 2 sub b van de Auteursrechtrichtlijn, waarin de uitzondering voor de privékopie is geregeld. Als hoofdregel voor deze uitzondering geldt dat Lidstaten vrij zijn om een uitzondering voor privékopiëren in te voeren, maar in dat geval moet daar wel een billijke vergoeding voor de rechthebbende tegenover staan. Hoe die billijke vergoeding echter vorm moet worden gegeven is een vraag die reeds tot vele prejudiciële vragen heeft geleid.[2] In het kader van de Deense thuiskopieheffing op geheugenkaarten, geeft het Hof in deze beslissing wederom nadere uitleg.

Privékopiëren en multifunctionele apparaten

Zo oordeelt het Hof onder andere dat het in beginsel niet relevant is voor de toepassing van de thuiskopieheffing dat een drager meerdere functies heeft en dat het privékopiëren in voorkomend geval een secundaire functie betreft. Geheugenkaarten voor mobiele telefoons worden (ook) gebruikt om zelfgemaakte foto’s en video’s op te slaan en dit gebruik is niet vergoedingsplichtig. Dat het om secundair gebruik gaat zou daarom wel van invloed kunnen zijn op de hoogte van de heffing. Indien blijkt dat de drager in de praktijk niet voor privékopiëren wordt gebruikt, dan zou zelfs geen verplichting tot betaling thuiskopieheffing bestaan, daar de schade voor de rechthebbenden dan als minimaal moet worden beschouwd. Welke drempel daarvoor moet worden gehanteerd is volgens het Hof aan de beleidsvrijheid van de Lidstaten overgelaten.

Geheugenkaart wel, maar MP3-speler niet?

Daarnaast beslist het Hof dat het beginsel van gelijke behandeling in acht moet worden genomen bij de keuze van het aanwijzen van heffingsplichtige dragers. In het Deense systeem zijn geheugenkaarten voor mobiele telefoons wel heffingsplichtig, maar het intern geheugen van bijvoorbeeld een MP3-speler niet, terwijl beiden zouden kunnen worden gebruikt voor privékopiëren. Volgens het Hof is het aan de nationale rechter om te onderzoeken of er omstandigheden zijn op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de dragers niet vergelijkbaar zijn. Is het oordeel echter dat de dragers wel vergelijkbaar zijn, dan zal de nationale rechter moeten toetsen of het verschil in behandeling in dat geval gerechtvaardigd is.

Thuiskopievergoeding

Het Hof geeft ook nadere uitleg over vragen die niet specifiek zien op een heffing op geheugenkaarten, maar meer zien op een thuiskopiesysteem in het algemeen. Zo wordt – kortgezegd – overwogen dat het voor de thuiskopievergoeding niet van belang is of de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het gebruik dat onder de privéuitzondering valt en dat niet kan worden gesteld dat de rechthebbende zijn recht op de billijke compensatie verspeelt door geen technische beveiliging toe te passen, terwijl dit wel mogelijk is. Ook merkt het Hof op dat de Auteursrechtrichtlijn zich er niet tegen verzet dat de privékopieën worden gemaakt met behulp van apparatuur van derden. Tot slot geeft het Hof nadere voorwaarden voor een systeem waarbij de heffing wordt geïncasseerd via de importeur of fabrikant van de dragers.

Conclusie

Het Hof heeft wederom nadere uitleg gegeven over de privékopie-exceptie uit de Auteursrechtrichtlijn, naar aanleiding van vragen over het Deense thuiskopiesysteem, waarbij een heffing wordt geheven over geheugenkaarten voor mobiele telefoons. Naast een aantal overwegingen over multifunctionele dragers (zoals geheugenkaarten) bevat de beslissing ook nadere uitleg over het thuiskopiesysteem in het algemeen.

Met de nadere uitleg zijn overigens niet alle vragen ten aanzien van de uitzondering voor de privékopie beantwoord; in nog zeker drie aanhangige zaken worden prejudiciële vragen over artikel 5 lid 2 sub b Auteursrechtrichtlijn gesteld.[3]