Procespartijen zijn verplicht om de rechter volledig en naar waarheid te informeren over de feiten die voor de beslissing van de rechter van belang zijn. Doet een partij dit niet dan kan de rechter daaraan de gevolgen verbinden die hij geraden acht. Zo kan de rechter de bewijslast van die partij verzwaren of rekening houden met zijn gedrag in de procedure bij de beslissing over de proceskosten. Ook wanneer een partij door zijn proceshouding nodeloos kosten voor zijn wederpartij veroorzaakt kan de rechter beslissen dat die kosten voor zijn rekening komen.

In een recente beschikking van de kantonrechter in Alkmaar verzocht de werknemer om een volledige proceskostenveroordeling op grond van schending van de waarheidsplicht. De werkgever had de werknemer op 24 november 2015 op staande voet ontslagen. De werkgever verzocht de kantonrechter vervolgens om de arbeidsovereenkomst van de werknemer te ontbinden voor zover die nog zou bestaan. De werknemer diende een tegenverzoek in tot vernietiging van het ontslag op staande voet en om de werkgever te veroordelen tot doorbetaling van zijn salaris.

Het ontslag op staande voet was gegeven wegens diefstal van bedrijfseigendommen en meer specifiek het "leeghalen van de fooienpot". De werknemer voerde inhoudelijk verweer en bracht onder meer naar voren dat de werkgever ermee bekend was hoe de fooien door hem al jarenlang werden besteed (onder meer aan vrijwilligers). De werkgever heeft op die stellingen niet inhoudelijk gereageerd en bovendien bleek het ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven, zodat dit geen stand hield. De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemer om het ontslag op staande voet te vernietigen dan ook toe. Het ontbindingsverzoek van de werkgever wijst de kantonrechter af omdat niet gebleken is dat de verwijten die de werkgever de werknemer maakt terecht zijn.

De kantonrechter overweegt dat de werkgever in de procedure onder meer de waarheidsplicht heeft geschonden door in zijn verzoekschrift op te nemen dat de werknemer uitsluitend als verweer had aangevoerd dat hij geschokt was terwijl uit de stukken bleek dat hij wel degelijk inhoudelijk verweer had gevoerd. De kantonrechter oordeelt voorts dat de werkgever hem onjuist geïnformeerd heeft over de aanvangsdatum van het dienstverband van de werknemer. De kantonrechter is het bovendien met de werknemer eens dat de werkgever hem nodeloos op kosten heeft gejaagd door hem talloze en veelal niet onderbouwde verwijten te maken waarop de werknemer vervolgens wel uitgebreid moest reageren. De kantonrechter concludeert dat de schending van de waarheidsplicht en het feit dat de werknemer daardoor extra (nodeloze) kosten heeft moeten maken zodanig ernstig is dat het redelijk is dat de werkgever de daadwerkelijk door de werknemer gemaakte proceskosten vergoedt.

Normaal gesproken zal de winnende partij die zich laat bijstaan door een gemachtigde een forfaitair bedrag voor de door hem gemaakte kosten voor rechtsbijstand ontvangen en geen volledige vergoeding van de door hem gemaakte kosten. In bijzondere gevallen, zoals bij schending van de waarheidsplicht, kan dit dus anders zijn.