Op 26 oktober 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor het eerst geoordeeld over een besluit van de Kiesraad om een referendum te houden over het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne. Een inhoudelijk oordeel blijft uit, aangezien appellant, een natuurlijke persoon die zich veelvuldig mengt in het publieke debat, geen belanghebbende is. Met deze uitspraak is het besluit onherroepelijk geworden, waardoor het referendum definitief zal plaatsvinden.

Associatieverdrag

Het Associatieverdrag ziet op een intensievere politieke en economische samenwerking tussen de EU en Oekraïne. Over het verdrag wordt al lange tijd gediscussieerd. Waar voorstanders wijzen op de economische voordelen, wijzen tegenstanders op de economische en politieke problemen die in Oekraïne spelen. Het elektronische dossier op www.europa-nu.nl geeft een overzichtelijk beeld van de zaken die bij het Associatieverdrag een rol spelen.

Wet raadgevend referendum

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet raadgevend referendum (de “Wrr“), schreven Pieter Swagemakers en Annemarie Drahmann het blogbericht ‘Komt tijd, komt raad; het raadgevend wetgevingsreferendum in Nederland’. Hierin gaven zij aan uit te kijken naar verschillende praktische aspecten omtrent een referendumprocedure en de wijze waarop de Afdeling hiermee omgaat. Gelet op de uitspraak van 26 oktober 2015, is het daarvoor nu een mooi moment.

De weg naar de uitspraak

De minister van Buitenlandse Zaken besloot op 8 juli 2015 dat de goedkeuringswet betreffende het Associatieverdrag referendabel is. Vervolgens is GeenStijl de petitie ‘GeenPeil’ begonnen. De drempel voor het inleidende verzoek (10.000 handtekeningen) is overstegen; GeenStijl wist 13.480 handtekeningen te verzamelen. De Kiesraad heeft bij besluit van 13 augustus 2015 het inleidende verzoek tot het houden van het referendum daarom toegelaten.

Bij besluit van 12 oktober 2015 heeft de Kiesraad een besluit genomen over het definitieve verzoek. Ook dit verzoek kon worden toegelaten, aangezien 427.939 handtekeningen zijn verzameld (127.939 meer dan vereist).

Op grond van artikel 50 Wrr is daarmee vastgesteld dat een referendum zal worden gehouden. Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

Belanghebbendheid van appellant

Zoals vermeld in de inleiding, blijft een inhoudelijk oordeel van deze instantie echter achterwege. De Afdeling oordeelt namelijk dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk is. Appellant stelt op te komen voor het algemeen belang van de bescherming van de democratie en het voorkomen van fraude met ondersteuningsverklaringen. Naar oordeel van de Afdeling heeft appellant echter geen belang dat hem voldoende onderscheidt van anderen en wordt hij niet rechtstreeks door het besluit van de Kiesraad geraakt.

Geen reden bestaat om in afwijking van artikel 1:2 Awb aan te nemen dat beroep ook voor anderen dan belanghebbenden open staat. In artikelen 92 en 93 van de Wrr zijn namelijk voor wat betreft de bestuursrechtelijke procedure wel enkele afwijkingen opgenomen ten opzichte van de Awb. Zo geldt op grond van artikel 91 sub a Wrr een beroepstermijn van 6 dagen en op grond van artikel 92 lid 1 sub b Wrr een beslistermijn van eveneens 6 dagen. Deze artikelen bevatten echter geen afwijking ten opzichte van artikel 1:2 Awb, aldus de Afdeling. Dat op grond van enkele bepalingen uit de Kieswet wel beroep open staat voor ‘belanghebbenden en iedere kiezer’ doet aan het voorgaande niets af.

Vervolg

Met deze uitspraak is het besluit van de Kiesraad dat een referendum zal plaatsvinden onherroepelijk geworden. Het is nu aan de Referendumcommissie om in overleg met de minister van BZK een datum te bepalen waarop het referendum zal plaatsvinden. Hiervoor heeft de commissie op grond van artikel 55 Wrr tot en met 2 november 2015 de tijd. Met inachtneming van artikel 55 lid Wrr betekent dit dat het referendum moet plaatsvinden op een woensdag tussen 5 januari 2016 en 12 april 2016.