Vlak voor de kerst is een gewijzigd wetsvoorstel Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) naar de Tweede Kamer gestuurd. De wijzigingen in het wetsvoorstel zijn een gevolg van het rapport ‘Vertrouwen, Tempo en Helderheid’ van de commissie Wolfsen. Deze commissie heeft in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de regionale omgevingsdiensten onderzocht. Over dit rapport is al eerder in een blog verschenen.

De brand bij Chemie-Pack en de handhavingsproblematiek bij Odfjell waren aanleiding voor politieke aandacht voor de uitvoering van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving in het omgevingsrecht (VTH-taken). Het politieke klimaat bleek rijp om het streven naar een structurele verbetering van de VTH-taken, om te zetten in wetgeving. In het oorspronkelijke wetsvoorstel zou de structurele verbetering worden bereikt door:

  1. beperking van fragmentatie van de uitvoeringstaken;
  2. verbetering van de kennis en kunde bij uitvoerende organisaties;
  3. verbetering van informatie-uitwisseling en de samenwerking tussen bevoegd gezag, politie en OM; en
  4. versterking van de horizontale bewaking van de uitvoeringskwaliteit. Onder meer door het stellen van landelijke kwaliteitseisen.

De kritische geluiden van de VNG en het Interprovinciaal Overleg (IPO) op het oorspronkelijke wetsvoorstel hebben Staatssecretaris Mansveld laten inzien dat voor het gewenste bottom up proces meer tijd moet worden genomen. Het daaropvolgende overleg tussen het Rijk, het IPO en de VNG heeft daarom tot de volgende aanpassingen van het wetsvoorstel VTH geleid:

  • De gehele zwaardere industrie (Brzo-inrichtingen en inrichtingen met RIE-4-installaties) wordt onder het provinciale bevoegd gezag gebracht in plaats van zoals nu versnipperd tussen gemeenten en provincies. Dit gaat gebeuren via een wijziging van het Besluit omgevingsrecht.
  • Er wordt een scherper onderscheid gemaakt tussen de stelselverantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu en de uitvoeringsverantwoordelijkheden van gemeenten en provincies. Een gevolg hiervan is dat geen landelijke kwaliteitseisen worden opgelegd. De gemeenten en provincies mogen zelf hun kwaliteitseisen opstellen.
  • Een aantal voorgenomen wettelijke overleg- en verslagverplichtingen wordt geschrapt.

Duidelijkheid over de bevoegd- en verantwoordelijkheden is uiteraard toe te juichen. Het is zowel voor het bedrijfsleven als de betrokken overheidsinstanties namelijk goed om te weten wie waar overgaat. Dit voorkomt dat verschillende overheidsinstanties elkaar voor de voeten lopen, of tegenstrijdige signalen afgeven aan het bedrijfsleven. Dat duidelijk wordt dat de bevoegdheid voor de zwaardere industrie bij de provincies ligt, is dan ook goed.

Ook het beperken van wettelijke overleg- en verslagverplichtingen lijkt ons verstandig. Het bereiken van doelmatig overleg is naar onze overtuiging namelijk meer gebaat bij de innerlijke motivatie dat een bepaald overleg nuttig is, dan het verplicht opleggen van overleg (al kan een wettelijke verplichting soms een noodzakelijke prikkel zijn). Verplichte overlegrondes waarvan bij voorbaat al duidelijk is dat zij weinig zullen opleveren, leggen namelijk wel een belasting op de beschikbare tijd. Deze tijd kan dus niet worden besteed aan toezicht en handhaving, waardoor wellicht te laat wordt ingegrepen bij een dreigende ramp. Bovendien is overleg ook mogelijk als dit niet in een wet verplicht is gesteld!

Dat de kwaliteitseisen niet landelijk worden opgelegd, lijkt ons in verband met de kritiek van de VNG en het IPO hierop verstandig voor de acceptatie van de wijzigingen die het wetsvoorstel VTH mogelijk maakt. Uiteindelijk zijn het namelijk de gemeenten, provincies en regionale uitvoeringsdiensten die de gewijzigde regelgeving moeten uitvoeren. Acceptatie van de regelgeving is dan ook van belang voor het bereiken van de doelstellingen van het wetsvoorstel VTH. Inmiddels hebben de VNG en het IPO aangegeven een modelverordening te gaan ontwikkelen voor het vastleggen van kwaliteitscriteria.