De Afdeling bestuursrechtspraak heeft een streep gezet door een bestemmingsplan voor een windturbinepark, omdat onder meer het treffen van geluidreducerende maatregelen niet was vastgelegd in de planregels. Voorheen heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een dergelijke planregel niet noodzakelijk geacht, omdat de geluidsnormering direct voortvloeide uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Is hier nu sprake van een nieuwe lijn?

Onvoldoende geluidsonderzoek en geen borging geluidsreductie

Appellanten stellen dat de voorziene windturbines onaanvaardbare geluidhinder zullen veroorzaken. De raad had zich ook niet mogen baseren op het verrichte geluidsonderzoek, omdat het onderzoek ten onrechte is uitgegaan van een windturbines met een ashoogte van 100 meter in plaats van 105 meter.

De gemeenteraad stelt dat de windturbines niet tot onaanvaardbare geluidhinder zullen leiden. De geluidnormen voor winderturbines uit artikel 3.14a, lid 1 Activiteitenbesluit milieubeheer kunnen namelijk worden nageleefd na het treffen van geluidreducerende maatregelen. Voor deze maatregelen kunnen maatwerkvoorschriften worden gesteld. Volgens de raad kunnen ook andere waarden worden vastgesteld.

De Afdeling beoordeelt eerst of het verrichte geluidsonderzoek voldoet. Zij stelt vast dat het bestemmingsplan windturbines met een ashoogte van 105 meter mogelijk maakt en het geluidsonderzoek is uitgegaan van windturbines met een ashoogte van 100 meter. De Afdeling acht hiermee niet inzichtelijk of de windturbines met een ashoogte van 105 meter tot een overschrijding van de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit leidt. Het geluidsonderzoek mocht dan ook niet aan de bestemming voor windturbines ten grondslag worden gelegd.

Ook een nader stuk met onderzoek naar de windturbines met een ashoogte van 105 meter kan het gebrek niet repareren. In het rapport wordt namelijk ten aanzien van woningen geconcludeerd dat zonder geluidreducerende maatregelen geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit worden overschreden.

Vervolgens overweegt de Afdeling dat het treffen van geluidreducerende maatregelen niet is geborgd. Onder verwijzing naar een eerdere uitspraak stelt de Afdeling vast dat er geen mogelijkheid is om voor windturbines voor geluid bij maatwerkvoorschrift middelvoorschriften voor te schrijven. Voor zover de raad stelt dat bij maatwerkvoorschrift de windturbines gedurende de nachtperiode worden teruggeschakeld, kan deze stelling derhalve niet worden gevolgd. Verder heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat bij maatwerkvoorschrift andere waarden dan die van artikel 3.14a, lid 1 Activiteitenbesluit kunnen worden vastgesteld, daargelaten de vraag of met het vaststellen van maatwerkvoorschriften in dat geval een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd.

Waarom is niet aangesloten bij de normen uit het Activiteitenbesluit?

Deze uitspraak is opvallend, omdat tot nog toe de Afdeling heeft aanvaard dat voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit mocht worden aangesloten. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het volgende citaat inzake een bestemmingsplan voor een windturbinepark: “Het Activiteitenbesluit schrijft in artikel 3.14a voor aan welke geluidsnormen een windturbine dient te voldoen. De raad heeft bij de beoordeling van welke geluidhinder hij het in kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar acht in redelijkheid kunnen aansluiten bij deze normen.”

Er is ook nog nooit nadere borging van deze geluidsnormen noodzakelijk geweest. De geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit hebben een rechtstreekse werking. Oftewel, elk(e) windturbine(-park) moet deze normering naleven, zonder dat deze normen worden vertaald naar een planologisch besluit of omgevingsvergunning. Dit is ook door de Afdeling erkend, althans de Afdeling heeft overwogen: “Ingevolge artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) voldoet een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.”  Het is ook op basis van deze rechtstreeks werkende normen dat exploitanten van windturbines terugschakelen. Hiermee wordt bedoeld dat een windturbine zodanig wordt afgesteld dat de geluidsnormen worden nageleefd. Deze mogelijkheid bestaat en vormt de basis voor handhaving tegen een overschrijding van geluidsnormen. Dit zou ook moeten volstaan voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in het kader van een bestemmingsplan.

De in dit blog besproken uitspraak is naar mijn weten de eerste uitspraak waarbij de Afdeling toch eist dat het treffen van geluidreducerende maatregelen wordt geborgd via het bestemmingsplan. Waarschijnlijk is deze uitspraak het gevolg van het standpunt van de gemeenteraad dat er maatwerkvoorschriften worden getroffen om de geluidnormering te borgen. De Afdeling overweegt terecht dat hiervoor geen grondslag bestaat. Wat echter verbaast, is dan toch de noodzaak om de naleving van de geluidsnormen te borgen via het bestemmingsplan: de Afdeling licht niet toe waarom de naleving van deze normen niet afdoende is geborgd via het Activiteitenbesluit.

Ten aanzien van het geluidsonderzoek lijkt de Afdeling aan te nemen dat een windturbine met een hogere ashoogte zonder meer leidt tot een hogere geluidsbelasting op de woningen. In de praktijk hoeft dit niet zonder meer het geval te zijn, aangezien de geluidsproductie per turbinetype verschilt en een hogere turbine niet zonder meer een hogere geluidsbelasting veroorzaakt. Niettemin had ook hier namens de gemeenteraad naar voren kunnen worden gebracht dat door de rechtstreekse werking van de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit het verschil in ashoogte van de windturbine niet uitmaakt voor de omliggende woningen.

Geen borging in het bestemmingsplan noodzakelijk

Ondanks deze uitspraak kan nog steeds worden gesteld dat geen borging van de geluidsnormering van windturbines in een bestemmingsplan noodzakelijk is. Hiervoor moet expliciet naar voren worden gebracht waarom een bestemmingsplan mag uitgaan van de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit. Er dient geen twijfel te bestaan over de mogelijkheid en de noodzaak om deze geluidsnormen na te leven. Kortom, bij de onderbouwing van de besluitvorming mag geen twijfel bestaan over de afwezigheid van een reden om de geluidsnormering op te nemen in de planregels.