Op 1 juli 2015 treedt de Wet raadgevend referendum in werking. Vanaf dat moment kan iedere kiesgerechtigde burger een referendum aanvragen over een wet die (of een verdrag dat) is aangenomen maar nog niet in werking is getreden. Dit is echter niet mogelijk voor alle wetten. Hierna worden de belangrijkste aspecten van de wet weergegeven.

Wet raadgevend referendum

De Wet raadgevend referendum (de “Wrr”) introduceert twee varianten van een raadgevend referendum: de inwerkingtredingsvariant (de hoofdregel) en de intrekkingsvariant (de uitzondering).

Een raadgevend referendum geldt als een raadgevende uitspraak tot afwijzing van die wet. De uitslag van een referendum is vanuit juridisch perspectief dus niet bindend.

De inwerkingtredingsvariant houdt in dat het raadgevend referendum plaatsvindt na de bekrachtiging van de wet, maar voor de inwerkingtreding daarvan. Een wet is bekrachtigd, zodra het voorstel is aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer en is ondertekend door de Koning.

De intrekkingsvariant (die is vervat in artikel 12 Wrr) is bedoeld voor de situatie dat de inwerkingtreding van een referendabele wet geen uitstel kan lijden. De wet kan dan in werking treden voordat het referendum wordt gehouden. Als de uitkomst van het referendum leidt tot een advies tot afwijzing, dan beslist de regering zo spoedig mogelijk of een intrekkingsvoorstel wordt ingediend.

De procedure voor beide varianten beschrijven wij hierna. Een schematisch overzicht kunt u hier downloaden.

Het raadgevend referendum verschilt dus van het correctief referendum (dat wel bindend is) en het burgerinitiatief (waarbij een voorstel wordt ingediend om een onderwerp op de agenda van de Tweede Kamer te krijgen).

Referendabele wetten

Als een wet is bekrachtigd, moet worden bezien of deze in aanmerking komt voor een referendum. Niet alle wetten komen daarvoor in aanmerking. Deze uitzonderingen zijn opgenomen in artikel 5 Wrr. Zo zijn wetten over de monarchie, de begroting of veranderingen in de Grondwet niet referendabel. De uitzonderingen zijn limitatief.

Als geen van deze uitzonderingsgronden van toepassing is, dan is sprake van een referendabele wet. Ten aanzien van de toepassing van de uitzonderingsgronden kan in een concreet geval verschil van mening bestaan. Daarom bepaalt de wet dat de minister van BZK samen met de ‘minister die het aangaat’ moeten besluiten of een referendum kan worden gehouden. Als de minister van BZK en de minister die het aangaat dezelfde zijn, dan beslist de minister van BZK samen met de minister van V&J.

Inleidend verzoek

Wordt een wet niet referendabel bevonden, dan treedt de wet in werking zoals beschreven in artikelen 6 en 7 van de Bekendmakingswet. Als een wet wel referendabel wordt bevonden, dan wordt dit besluit gepubliceerd in de Staatscourant. Binnen vier weken na publicatie kan een “inleidend verzoek” worden ingediend. Dat betekent dat de Kiesraad 10.000 handtekeningen ontvangt waarmee een referendum wordt aangevraagd. Ontvangt de Kiesraad te weinig geldige handtekeningen binnen vier weken, dan kan de Kiesraad het inleidend verzoek niet goedkeuren en treedt de wet alsnog in werking op een bij KB te bepalen datum. Worden wel voldoende handtekeningen ontvangen, dan kan de Kiesraad het inleidend verzoek goedkeuren.

Definitief verzoek

Binnen zes weken na de goedkeuring van het inleidend verzoek, moet een definitief verzoek worden ingediend. Daarvan is sprake als de Kiesraad 300.000 handtekeningen ontvangt. Voor dit verzoek geldt dat, als binnen de zeswekentermijn niet 300.000 geldige handtekeningen zijn ontvangen, de wet alsnog in werking kan treden. Heeft de Kiesraad wel tijdig 300.000 geldige handtekeningen ontvangen, dan besluit de Kiesraad tot goedkeuring van het definitieve verzoek en dat dus een referendum zal worden gehouden.

Landelijke stemming

Binnen een week na het besluit dat een referendum wordt gehouden, stelt de Referendumcommissie – in overleg met de minister van BZK – de datum vast waarop landelijk wordt gestemd over het referendum. De Referendumcommissie is een vaste commissie van de Tweede Kamer en is niet alleen belast met het bepalen van de datum waarop wordt gestemd. De commissie is ook belast met de informatievoorziening over de wet die aan een referendum is onderworpen. Bovendien verstrekt de commissie de benodigde subsidies aan voor- en tegenstanders van de te referenderen wet. Deze subsidie bedraagt maximaal € 2 miljoen per referendum. Op deze manier faciliteert en stimuleert de commissie het maatschappelijke debat over het referendum.

Het besluit van de Referendumcommissie over de dag waarop de stemming plaatsvindt, wordt gepubliceerd in de Staatscourant. De stemming vindt altijd op een woensdag plaats en in ieder geval binnen zes maanden na het laatste besluit van de Kiesraad. De stemming is in hoofdlijnen gelijk aan de stemming voor de Tweede Kamerverkiezingen. De praktische organisatie en verzorging van de stemming berust dan ook bij de gemeenten. Na sluiting van de stemlokalen worden de stemmen geteld.

Uitslag: een opkomstdrempel van 30%

Een stem is voor de wet, tegen de wet of ongeldig. Ongeldige stemmen zijn stemmen die onjuist zijn uitgebracht (bijvoorbeeld als teksten zijn geschreven op het stembiljet). Blanco stemmen zijn ook ongeldig, omdat Nederland nog geen wettelijke duiding kent van een blanco stem.

Een referendum kan de volgende uitslagen hebben:

  1. De opkomst is lager dan 30%. In dat geval treedt de wet in werking.
  2. De opkomst is hoger dan 30% en de meerderheid stemt vóór de wet. In dat geval treedt de wet ook in werking.
  3. De opkomst is hoger dan 30% en de meerderheid stemt tegen de wet. In dat geval moet de regering, zij het dat de uitslag niet bindend is, de wet opnieuw in overweging nemen.

Rechtsbescherming

Tegen een referendabiliteitsbesluit staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit is een spoedprocedure. Dat betekent dat de beroepstermijn zes dagen bedraagt en de Afdeling ook binnen zes dagen uitspraak moet doen. Zo kunnen burgers die menen dat een wet ten onrechte niet referendabel is verklaard, via de rechter trachten een wet referendabel te maken. De besluiten van de Kiesraad zijn eveneens appellabel.

De Wrr kent daarnaast een uitgebreid regime met strafbepalingen. Zo kan bijvoorbeeld vervalsing van stembiljetten worden bestraft met een gevangenisstraf van zes jaar of een geldboete van de vierde categorie.

Afronding

In Nederland zijn meerdere pogingen gedaan om referenda in verschillende vormen in te voeren. Zo sneuvelde de Tijdelijke referendumwet in de Nacht van Wiegel en leidde het raadplegende referendum over de Europese Grondwet tot intrekking van de goedkeuringswet tot deelname daaraan. Wij zijn dan ook benieuwd welke gevolgen deze wet in de praktijk zal hebben. Hoeveel referendumverzoeken zullen de opgeworpen handtekeningendrempels halen en hoeveel referenda zullen vervolgens de opkomstdrempel halen? Wij kijken uit naar het eerste referendum dat op basis van de Wrr zal plaatsvinden. Ook zijn wij benieuwd naar de eerste spoedprocedure over een referendabiliteitsbesluit.

Met de inwerkingtreding van de wet, is het nog niet klaar met de ontwikkeling van het referendum. De wet maakt ‘slechts’ een raadgevend referendum mogelijk, omdat de Grondwet een correctief referendum niet mogelijk zou maken. Een wetsvoorstel tot wijziging van de Grondwet ten behoeve van een correctief referendum (Stb. 2014/355) is evenwel al aangenomen. De minister van BZK heeft op 6 november 2014 een brief gestuurd aan de Tweede Kamer over de tweede lezing van het wetsvoorstel ten behoeve van het correctief referendum. Het voorstel moet immers, zoals gebruikelijk bij Grondwetswijzigingen, ook aanhangig worden gemaakt bij de Tweede Kamer in nieuwe samenstelling na de volgende Kamerverkiezingen. Het correctief referendum is dus de komende jaren (nog) niet mogelijk, maar het raadgevend referendum wel al met ingang van 1 juli 2015.