Op 24 februari 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over een bij Rijksinpassingsplan vastgestelde hoogspanningsverbinding en geoordeeld dat (i) voor een grensoverschrijdend project volstaan mag worden met een afzonderlijk milieueffectrapport per land en (ii) bij de ontheffingverlening onder de Flora- en faunawet mag worden uitgegaan van de bestaande situatie inclusief huidige hoogspanningsverbinding.

Casus

Deze uitspraak van 24 februari 2016 ziet op het inpassingsplan Doetinchem-Voorst waarbij een nieuwe hoogspanningsverbinding tussen Doetinchem en Wesel, Duitsland, wordt aangelegd. De verbinding gaat bij Voorst-Oude IJsselstreek de grens over. Op delen van dit traject ligt al een hoogspanningsverbinding die na ingebruikneming van de nieuwe zal worden ontmanteld. Dit inpassingsplan is voorafgegaan door het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (“SEV III”) waarin dit traject als geschikt wordt aangewezen. In het kader van SEV III is een milieueffectrapport voor een plan (“plan-MER”) gemaakt dat op zowel het Nederlandse als het Duitse deel zag. Voor het inpassingsplan is op grond van categorie 24 onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage een project-MER opgesteld. Dit project-MER ziet enkel op het Nederlandse deel.

Grensoverschrijdend MER?

Hiertegen hebben appellanten beroep ingesteld; zij menen dat voor dit project een grensoverschrijdend MER had moeten worden opgesteld. Hierover overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) dat voor grensoverschrijdende projecten waarbij meer dan één lidstaat is betrokken, een substantiële mate van samenwerking tussen die lidstaten is vereist. Er zijn echter geen aanknopingspunten om te concluderen dat deze samenwerking zo ver gaat dat in alle gevallen één grensoverschrijdend MER moet worden opgesteld. Er dient wel aandacht te worden geschonken aan de eventuele effecten die het project over de grens kan hebben en aan de cumulatieve effecten aan weerszijden van de grens. De Afdeling heeft geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat de substantiële mate van samenwerking zo ver gaat dat in alle gevallen één grensoverschrijdend MER moet worden opgesteld. In algemene zin acht de Afdeling het niet onrechtmatig dat per land een afzonderlijk MER wordt opgesteld.

ORNIS-criterium juist toegepast?

Appellanten komen ook op tegen de verleende ontheffing van de Flora- en faunawet (“Ffw”). Zij betogen dat het onderzoek naar de gunstige staat van instandhouding van de kieviet en de meerkoet ten onrechte uitgaat van de huidige situatie inclusief slachtoffers als gevolg van de bestaande hoogspanningsverbinding. Daarbij is uitsluitend gekeken naar de additionele draadslachtoffers door de nieuwe verbinding. Deze manier van salderen tussen oud en nieuw is volgens appellanten in strijd met het ORNIS 1%-criterium. Dit criterium houdt in dat bij minder dan 1% van de natuurlijke sterfte van de soort de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Het vereist, zo stellen appellanten, dat elke overtreding op haar eigen merites wordt beoordeeld, zonder daarbij reeds bestaande projecten die ongunstig kunnen zijn voor de instandhouding te betrekken.

De Afdeling verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 9 december 2004, C-79/03, waarin geoordeeld wordt dat het ORNIS-criterium mag worden gebruikt bij gebreke van wetenschappelijk tegenbewijs. Dit criterium is in Nederland standaard geworden en wordt sinds de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015 ook gebruikt voor andere dieren dan vogels. Echter het arrest van het Hof en de jurisprudentie die daarop volgde hebben steeds gezien op het toepassen van het ORNIS-criterium voor de nieuwe situatie ten opzichte van de natuurlijke sterfte, dus zonder ingreep van een project.

In de uitspraak van 24 februari 2016 overweegt de Afdeling dat:

“[…] de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij het bepalen van het aantal draadslachtoffers onder vogels kon worden uitgegaan van de bestaande situatie ten tijde van de aanvraag om ontheffing, waarin al een 150 kV-verbinding aanwezig is en kon worden bezien wat het aantal extra draadslachtoffers als gevolg van de nieuwe verbinding zal zijn in vergelijking met die situatie. De staat van instandhouding van de kieviet en de meerkoet ten tijde van de aanvraag om ontheffing wordt mede bepaald door de gevolgen die de bestaande 150 kV-verbinding voor die vogelsoorten heeft. “

Gevolgen voor de praktijk

De mate waarin samenwerking tussen twee lidstaten bij een grensoverschrijdend project moet bestaan is niet helder. De Afdeling maakt met deze uitspraak niet duidelijk wanneer deze samenwerking afdoende is om vervolgens te aanvaarden dat per land een afzonderlijk MER mag worden opgesteld, zij het dat daarvoor wel aanknopingspunten worden gegeven. Verder moet deze systematiek niet worden verward met de verplichting om onderzoek te doen naar grensoverschrijdende milieueffecten conform paragraaf 7.11 van de Wet milieubeheer.

De door de Afdeling aanvaarde wijze van salderen onder de Ffw zou voor projecten inhouden dat bij opschaling van een bestaand project enkel rekening hoeft te worden gehouden met de additionele sterfte. Dit is ook reëel als wordt aangenomen dat de sterfte veroorzaakt door het bestaande project reeds in de staat van instandhouding van de soorten is verwerkt.