Door zowel de civiele rechter als door de bestuursrechter is in de maand mei definitieve duidelijkheid gegeven over de toepassing van de rijkscoördinatieregeling (“RCR“) bij windparken van nationaal belang. De discussie over de toepassing daarvan bij windparken met een vermogen van boven de 100 MW achten wij hiermee gesloten.

Afdeling bestuursrechtspraak over de rijkscoördinatieregeling

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moest zich in het kader van de beroepsprocedure tegen het windpark Wieringermeer buigen over de vraag of op dit windpark wel de RCR van toepassing zou zijn. De vraag wordt bevestigend beantwoord.

Eerst kort het juridische kader. De RCR is in de Elektriciteitswet 1998 (“E-wet“) van toepassing verklaard op, kort gezegd, windturbineparken met een vermogen van ten minste 100 MW. Er is sprake van één windturbinepark als tussen de verschillende windturbines afdoende geografische, technische, functionele of organisatorische samenhang bestaat. Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat deze criteria niet cumulatief zijn.

Ook de Afdeling bestuursrechtspraak wijst erop dat geen sprake is van cumulatieve vereisten. Vervolgens vult de Afdeling bestuursrechtspraak de verschillende criteria voor samenhang in. Kort en goed is er sprake van geografische samenhang vanwege het rekening houden met de onderlinge afstand tussen de turbines, natuur- en landschappelijke waarden en de ligging van gevoelige objecten en visuele hinder. De technische samenhang volgt uit het aansluiten van de windturbines op een voor het windpark op te richten 150 kV-transformatorstation. Voor de organisatorische samenhang geldt dat er sprake is van een samenwerkingsverband, er één melding onder de E-wet is gedaan, een gezamenlijk MER is opgesteld en er gezamenlijk vergunningen zijn aangevraagd. Verder overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de substantiële omvang van het plangebied het gevolg is van omvang van het windpark en niet afdoet aan de toepassing van de RCR.

Gerechtshof Den Haag over de rijkscoördinatieregeling

Het gerechtshof Den Haag boog zich over het hoger beroep van de gemeenten Aa en Hunze en Borger-Odoorn tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. Het betrof een procedure tegen het windturbinepark De Drentse Monde en Oostermoer. Over deze uitspraak van de voorzieningenrechter hebben wij al eerder geschreven.

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Voor de toepassing van de RCR hoeft niet te worden gekeken naar het inrichtingenbegrip uit de Wet milieubeheer dan wel de daarop betrekking hebbende jurisprudentie. Het gerechtshof wijst op de toelichting bij art. 9b E-wet, waaruit blijkt dat de eisen van samenhang tussen de windturbines niet cumulatief zijn. Daarbij betrekt het gerechtshof ook het verschil in achtergrond tussen  art. 9b E-wet enerzijds en de Wet milieubeheer anderzijds. Vervolgens acht het gerechtshof de vijftig geplande windturbines aan te merken als één productie-installatie, vanwege, kort gezegd, de samenwerking tussen de initiatiefnemers, gezamenlijke vergunningsaanvragen, een gezamenlijk milieueffectrapport en afstemming in de exploitatiefase. Ook acht het gerechtshof sprake van een geografische samenhang door de beoogde realisatie in een daartoe aangewezen gebied, ondanks de afstand tussen de turbines. Deze afstand acht het gerechtshof inherent aan de hoeveelheid turbines.

Rijkscoördinatieregeling van toepassing bij samenwerkingsverbanden

Met de hier besproken uitspraken is duidelijk op welke wijze omgegaan moet worden met de beoordeling van de toepassing van de RCR op windturbineparken met een vermogen van meer dan 100 MW. Ook windturbineparken die worden gerealiseerd door samenwerkingsverbanden  kunnen dus onder de RCR vallen, mits maar afdoende mate van samenwerking en afstemming plaatsvind. Voor het halen van de doelstellingen van windenergie op land is de nu ontstane duidelijkheid een opsteker, omdat geen twijfel meer hoeft te bestaan aan de bevoegdheid van de ministers om de RCR toe te passen.