Het jaar 2014 eindigde – voor de bestuursrechtjuristen – met een hoogtepunt. In Utrecht werd het 75-jarig bestaan gevierd van de Vereniging voor Bestuursrecht (beter bekend als ‘de VAR’, een afkorting uit de tijd dat bestuursrecht nog administratief recht heette). Deze vereniging is in 1939 opgericht mede vanuit de behoefte aan de ontwikkeling van een algemeen deel van het bestuursrecht.

Een vakgebied dat toen nog, behalve slechts een aanhangsel van het staatsrecht, vooral een lappendeken was van vele bijzondere regelingen zonder veel coherentie. Dat beeld is inmiddels radicaal veranderd, waarvan de Algemene wet bestuursrecht een prominente getuige is. Ter gelegenheid van dit jubileum is (onder redactie van Schueler en Widdershoven) een bundel uitgebracht met als thema de Europeanisering van het algemeen bestuursrecht. Uit een aantal bijdragen daaraan blijkt dat men zich thans op EU-niveau zorgen maakt over het ontbreken van een algemeen Europees bestuursrecht en in feite tegen dezelfde problemen aanloopt die destijds mede de aanleiding vormden voor de oprichting van de VAR. Daarbij wordt de vraag opgeworpen of er voor bestuurshandelen van EU-autoriteiten niet ook een soort Europese Awb zou moeten gaan gelden. Een thema waarover door diverse auteurs eveneens druk wordt gefilosofeerd in de laatste drie afleveringen van het Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht.

Aanleiding daarvoor is de begin 2013 door het Europese Parlement aangenomen resolutie (2012/2024 (INL)) met een oproep aan de Commissie om te komen tot een Verordening voor bestuurlijke procedures van de EU. Centrale doel van deze verordening zou zijn het waarborgen van het recht op behoorlijk bestuur door middel van een open, efficiënte en onafhankelijke administratie. Gecodificeerd zouden moeten worden de basisbeginselen van goed bestuur alsmede de door de EU-autoriteiten te volgen procedure wanneer er contact plaatsvindt tussen een dergelijke autoriteit en een (rechts)persoon met name wanneer er besluiten worden genomen. Daarbij gaat het om bekende beginselen als legaliteit, evenredigheid en bescherming van gerechtvaardigde verwachtingen maar ook om relatief nieuwe als efficiency en dienstbaarheid. Deze regels zouden alleen bindend moeten zijn voor instellingen en agentschappen van de Unie. Het zou dan gaan om harde de-minimis regels. Er zou alleen ruimte zijn om bij wijze van een bijzondere regeling meer bescherming te bieden.

De aandacht voor het thema Europese Awb houdt daarnaast verband met het feit dat een groep onderzoekers uit verschillende landen van de Europese Unie in 2014 een concept van Model Rules on EU Administrative Procedures heeft gepubliceerd. Dit naar voorbeeld van een vergelijkbaar initiatief voor het privaatrecht, de Common Frame of Reference. De Model Rules beogen het waarborgen van constitutionele waarden en beginselen van de EU en zijn verdeeld over afzonderlijke boeken voor verschillende vormen van bestuurshandelen. Daarbij gaat het om besluiten van algemene strekking, beschikkingen, contracten, wederzijdse bijstand en informatiebeheer terzake waarvan steeds behoorlijk gedetailleerde regels zijn voorzien. Daarmee gaan deze Rules verder dan de door het Europees Parlement beoogde verordening die met name op het beginselniveau ziet. Qua beoogd toepassingsbereik is er geen verschil, behalve dat de regels over wederzijdse bijstand en informatiebeheer ook zouden gelden voor de nationale autoriteiten. Verschil is natuurlijk wel dat de Rules een wetenschappelijk product zijn waarvan in het geheel nog niet duidelijk is of zij ooit in bindende EU-regelgeving zullen landen.

Deze initiatieven verdienen steun en onze volle aandacht. EU-autoriteiten hebben steeds meer direct contact met (rechts)personen en de thans daarvoor geldende regels zijn allerminst compleet, coherent en toegankelijk. Dat is onwenselijk. Een Europese Awb, langs de lijnen van de beoogde verordening, de Model Rules of – nog beter – een combinatie daarvan, zou aan dit probleem tegemoet kunnen komen. De ervaringen in Nederland met onze Awb bevestigen dat. Deze positieve, maar soms ook negatieve ervaringen zouden gelet op het belang van een zo goed mogelijke regeling op Europees niveau ook gedeeld moeten worden met de Europese ‘wetgever’. Dat vergt actieve bemoeienis vanuit Nederland, waarbij ook de regelmatig uitgevoerde Awb-evaluatieonderzoeken een belangrijke rol zouden kunnen spelen. Een dergelijke bemoeienis is ook vereist omdat van een eventuele Europese Awb ongetwijfeld ook weer invloed uitgaat op ons nationale algemene bestuursrecht. Bovendien kan een Europese Awb die fundamenteel afwijkt van onze eigen Awb voor spanningen zorgen of op zijn minst vragen oproepen. Met name wanneer er als gevolg daarvan ten aanzien van inhoudelijk vergelijkbaar bestuurshandelen afhankelijk van de vraag of het gaat om een EU-of een nationaal bestuursorgaan afwijkende procedurele waarborgen zouden gelden. Dat is namelijk moeilijk te rechtvaardigen. Actieve bemoeienis met het Europese codificatietraject is temeer aangewezen, nu het Europees Parlement de wens heeft uitgesproken dat de lidstaten zich op onderdelen vrijwillig bij de Europese Awb zullen aansluiten. Wat er ook zij van dat laatste, in ieder geval kan er inspiratie uitgaan van de Europese regeling voor de verdere vormgeving van de Nederlandse Awb. De Model Rules kennen, bijvoorbeeld, een regeling over de totstandkoming van bestuursregelgeving, overheidscontracten, bewijsrecht in de bestuurlijke fase, massaprocedures en intrekking van beschikkingen. Onderwerpen die in de Nederlandse Awb ontbreken en (deels) worden gemist.

De Nederlandse betrokkenheid bij dit proces is dus nodig en al behoorlijk verzekerd via ons ambtelijk apparaat en een aantal prominente Nederlandse leden van de Europese onderzoeksgroep die bezig is met de Model Rules. Wat echter nog wel ontbreekt is een Europese vereniging voor bestuursrecht naar het model van onze VAR. De oprichting daarvan is een goed voornemen voor het net begonnen nieuwe jaar.

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2015/89, afl. 2, p. 93.