Ongeveer 70 procent van de werknemers in de privésector geniet een aanvullend pensioen, de zogenaamde tweede pijler.

Also available in French

De tweede pensioenpijler bestaat uit een aanvullend pensioen dat door de werkgever wordt aangeboden en wordt uitgevoerd door een verzekeraar of een instelling van bedrijfspensioenvoorziening (vroegere pensioenfonds). Het aanvullend pensioen kan deels door de werkgever en deels door de werknemer worden gefinancierd. Deze spaarvorm, die het verschil tussen het laatste loon en het wettelijk pensioen moet verkleinen, is aantrekkelijk omdat hij minder wordt belast dan loon en ook een gewaarborgd rendement biedt.

In het actuele systeem, dat van toepassing blijft tot en met 31 december 2015, bedraagt de rendementsgarantie 3,75% voor de werknemersbijdragen en 3,25% voor de werkgeversbijdragen.

In het huidige economische klimaat waarbij de marktrente aanhoudend laag blijft, slagen de verzekeraars en de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening er niet in om dit vast rendement te financieren. Het is aan de werkgever om het verschil tussen het werkelijk rendement (thans ongeveer 1,5%) en het gewaarborgd rendement bij te passen. Dit zorgde ervoor dat minder en minder werkgevers geneigd waren om een groepsverzekering te sluiten voor hun werknemers.

Na maandenlange discussies hebben de sociale partners in de Groep van Tien een akkoord bereikt, waarin getracht werd een evenwicht te vinden tussen wat economisch haalbaar is en wat aantrekkelijk blijft voor de werknemer. De nieuwe rentevoet, zowel voor de werkgevers- als voor de werknemersbijdragen, wordt gekoppeld aan het gemiddelde rendement over de voorbije 24 maanden op de Belgische lineaire obligaties met een duurtijd van 10 jaar. De rentevoet wordt op jaarlijkse basis op 1 januari toegepast en bedraagt minimaal 1,75% is en maximaal 3,75%.

Bij een wijziging van de rentevoet, wordt de nieuwe rentevoet toegepast volgens de methode die aansluit bij de verbintenis van de verzekeraar of de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening. Indien een tariefgarantie wordt geboden op de opgebouwde reserves, is de nieuwe rendementsgarantie enkel van toepassing op de toekomstige premies (bv. verzekeringen in “tak 21”). Als er geen resultaatsverbintenis, maar wel een middelenverbintenis bestaat, is de nieuwe rendementsgarantie niet alleen van toepassing op de toekomstige premies maar ook op de reeds opgebouwde reserves (bv. Pensioenfonds “tak 23”). De FSMA heeft de rentevoet die van toepassing is vanaf 1 januari 2016 gepubliceerd; deze bedraagt 1,75%.

(Wet van 18 december tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen, B.S. 24 december 2015).