Om aanspraak te kunnen maken op een WW-uitkering, is het voor een werknemer van belang dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden. Er zal geen sprake mogen zijn van een dringende reden die heeft geleid tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De vraag is wie bepaalt of er sprake is van een dringende reden – en dus van verwijtbare werkloosheid – in het geval de werknemer een WW-uitkering aanvraagt. Onlangs is de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak op deze kwestie ingegaan.

Juridisch kader

Het UWV kent een uitkeringsgerechtigde in beginsel geen WW-uitkering toe als sprake is van verwijtbare werkloosheid. Een werknemer is verwijtbaar werkloos als een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW komt vast te staan en de werknemer hiervan een verwijt is te maken. De beoordeling van het bestaan van een dringende reden vindt plaats aan de hand van een materiele toets. De ontslagreden is daarom beslissend en niet de wijze waarop het dienstverband is beëindigd.

Casus

In de casus die bij de CRvB voorlag luidt als volgt. De werknemer had zich, na al eerder niet geaccepteerde ziekmeldingen, opnieuw ziek gemeld vanwege klachten aan de enkel, voet en knie. De bedrijfsarts stelde vast dat er geen sprake is van een ziekte of gebrek en dat de werknemer arbeidsgeschikt was. De werknemer hervatte zijn werkzaamheden niet. Nadat de werkgever een deskundigenoordeel bij het UWV had aangevraagd, oordeelde de verzekeringsarts van het UWV dat de werknemer geschikt was voor eigen werk. De werknemer betwistte de uitkomst van het deskundigenoordeel en verscheen wederom niet op zijn werk. De kantonrechter heeft vervolgens op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbonden. Van een dringende reden was volgens de kantonrechter geen sprake, maar op grond van alle feiten en omstandigheden kon van de werkgever niet verlangd worden dat de arbeidsovereenkomst zou voortduren.

UWV wijst uitkering af, werknemer gaat in beroep

Vervolgens vroeg de werknemer een WW-uitkering aan. Die uitkering werd door het UWV geweigerd, omdat het UWV van oordeel was dat de werknemer verwijtbaar werkloos was geworden. Aan de werkloosheid van de werknemer zou een dringende reden ten grondslag liggen. De werknemer ging hiertegen in beroep waarop de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaarde en het UWV in het gelijk stelde. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het UWV, in afwijking van de kantonrechter, een groter gewicht mag toekennen aan het feit dat de klachten niet objectief medisch kunnen worden vastgesteld, zelfs wanneer de werknemer die klachten wel als zodanig ervaart.

Procedure bij de CRvB

Werknemer tekende hoger beroep aan bij de CRvB en betoogde dat er geen sprake was van een objectieve dringende reden en dat, nu het UWV niet over andere gegevens beschikte dan de kantonrechter, het UWV niet licht kon afwijken van het oordeel van de kantonrechter. Daarnaast was er volgens de werknemer onvoldoende aanleiding voor het UWV om een groter gewicht toe te kennen aan het niet objectief medisch vast kunnen stellen van klachten. Tot slot stelde hij dat er geen sprake is van een subjectieve dringende reden.

Naar het oordeel van de CRvB moet voor de vraag of er sprake is van een dringende reden en verwijtbare werkloosheid, een materiële beoordeling plaatsvinden waarbij de aard en ernst van de gedraging van de werknemer, de reactie van de werkgever op dit gedrag en andere relevante aspecten van de dienstbetrekking zoals de aard en duur ervan van belang zijn. Het UWV kent een eigen verantwoordelijkheid bij beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden, maar aan het oordeel van de kantonrechter komt ook bijzondere betekenis toe. Dit is niets nieuws en het bestendigt de huidige rechtspraak. De CRvB oordeelde dat het UWV zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat het feit dat de pijnklachten van de werknemer niet te objectiveren zijn, onvoldoende is om van het oordeel van de kantonrechter af te wijken. De CRvB komt dus tot dezelfde conclusie als de kantonrechter, dat er geen sprake is van een dringende reden, maar wel met andere argumenten.

Slotopmerking

De CRvB laat in deze beslissing (nogmaals) zien dat bij de beoordeling van de WW aanvraag het alsnog volledig moet toetsen of de gedraging een dringende reden oplevert, onafhankelijk van het eventuele oordeel van de kantonrechter. Uit de rechtspraktijk blijkt dat het oordeel van de UWV kan afwijken van de civiele rechter. Dit ziet men over het algemeen terug bij ontbindingsverzoeken waarbij de kantonrechter zich niet heeft uitgelaten over het bestaan van een dringende reden, de zogenoemde geregelde procedures. Als de civiele rechter wel een gemotiveerd oordeel heeft geveld over het bestaan van een dringende reden en derhalve tot de conclusie is gekomen dat niet ontbonden kan worden op grond van een dringende reden, dan zal de bestuursrechter en de CRvB dat oordeel in beginsel (moeten) volgen, tenzij de kantonrechter niet beschikte over alle informatie of zijn oordeel niet voldoende gemotiveerd heeft