Ondanks dat de Warmtewet nu ruim twee jaar oud is, bestaat er nog steeds veel onduidelijkheid over de storingsregistratie waar de Warmtewet toe verplicht en de storingscompensatie die aan verbruikers betaald moet worden.

De ACM (toezichthouder op en handhaver van de Warmtewet) heeft daarom een conceptbeleidsregel opgesteld, waarin de ACM aangeeft welke uitleg zij geeft aan de bepalingen uit de Warmtewet en de Warmteregeling bij het uitoefenen van haar handhavingsbevoegdheden. Een wetsinterpreterende beleidsregel, zoals deze van de ACM,  heeft als rechtsgevolg dat die interpretatie vastgelegd wordt voor het bestuursorgaan, zodat het bestuursorgaan in het vervolg ­ totdat die beleidsregel aangepast wordt of een rechter anders over de uitleg van de regelgeving in kwestie oordeelt – gebonden is aan de interpretatie die het gegeven heeft.

Hieronder wordt kort uiteengezet wat de conceptbeleidsregel inhoudt. De ACM heeft voor de conceptbeleidsregel een internetconsultatie opgestart en aangegeven dat tot en met 22 april 2016 een reactie op het concept bij de ACM kan worden ingediend.

Uitleg van de ACM

Begripsbepalingen

De ACM geeft in het eerste artikel de begripsbepalingen weer die in de conceptbeleidsregel worden gehanteerd. Het grootste deel van de begrippen sluit direct aan bij bepalingen in de Warmtewet of de Warmteregeling.

Dit geldt echter niet voor de begrippen "binneninstallatie" en "storing". De ACM heeft deze begrippen zelf gedefinieerd. Met de definitie van binneninstallatie beoogt de ACM het (inpandig) warmtenet van de warmteleverancier te scheiden van de binneninstallatie van een verbruiker. Tot deze binneninstallatie behoren naar het oordeel van de ACM in elk geval de radiatoren, de individuele warmtewisselaar/afleverset, de individuele warmtemeter en de warmtekostenverdelers. 

Met de definitie van storing maakt de ACM duidelijk dat dit gaat om elke onderbreking van de levering van warmte. Hieronder valt ook de levering van warmte die niet voldoet aan de in de leveringsovereenkomst vastgelegde minimum- en maximumtemperatuur. Twee situaties zijn uitgezonderd. Ten eerste zijn dat de voorziene onderbrekingen door bijvoorbeeld geplande werkzaamheden, die tenminste drie dagen van tevoren bij de gebruiker zijn aangekondigd. Ten tweede betreft dit onderbrekingen die hun oorsprong vinden in de binneninstallatie. Gelet op de Warmtewet, licht de ACM nog toe dat het niet mogelijk is om onderbrekingen van warmte door overmacht bij de leverancier of bij de producent uit te zonderen.

Begin en einde van de storing

In artikel 2 van de conceptbeleidsregel geeft de ACM aan welk moment het begin en welk moment het einde van een storing markeert. Dit is van belang in verband met het vaststellen van de tijdsduur van de onderbreking. De ACM heeft daarbij aangesloten bij de Aansluit- en transportvoorwaarden Gas-RNB. De storing is pas verholpen als de leverancier heeft gecontroleerd of weer warmte kan worden geleverd en heeft geconstateerd dat de levering van warmte is hervat.

Storingscompensatie

Vervolgens maakt de ACM in artikel 3 duidelijk dat een leverancier op eigen initiatief storingscompensatie dient uit te keren bij ernstige storingen (die langer dan vier uur duren). De getroffen verbruikers hoeven geen verzoek te doen om compensatie te krijgen. Uit de Warmteregeling volgt dat de storingscompensatie EUR 35,– bedraagt bij een onderbreking van 4 tot 8 uur, vermeerderd met EUR 20,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur. 

De ACM zegt nog expliciet dat geen compensatie betaald hoeft te worden als het een aangekondigde onderbreking betreft, de storing zijn oorsprong vindt in de binneninstallatie van de verbruiker of de storing korter is dan vier uur.

Storingsregistatie

De leverancier is op grond van de Warmtewet verplicht om een storingsregistratie bij te houden. In artikel 4 van de conceptbeleidsregel staat welke inhoud de ACM verwacht bij de storingsregistratie. Het gaat dan onder meer om het tijdstip van begin en einde van de storingen, de getroffen verbruikers, de oorzaak van de storingen en de betaalde compensatie.

In artikel 2, zevende lid, van de Warmtewet is bepaald dat de leverancier de storingsregistratie jaarlijks op geschikte wijze publiceert. Uit de wet volgt niet wat moet worden verstaan onder "geschikte wijze" en "publiceert". Uit de Nota naar aanleiding van het verslag, van 29 november 2011, TK 2011-2012, 32839, nr. 7, pagina 17 blijkt dat de Tweede Kamer en de minister vinden dat verplichte openbaarmaking van de storingsregistratie moet plaatsvinden. Volgens de ACM kan de publicatie van de storingsregistratie plaatsvinden via een medium dat toegankelijk is voor alle verbruikers. Hierbij kan gelet op de toelichting worden gedacht aan de website van de leverancier, verspreiding via e-mail of per post. Op voorhand is niet duidelijk of het gebruik van e-mail en post in overeenstemming is met de wet. Wordt hiermee op geschikte wijze gepubliceerd en openbaar gemaakt? Als wordt gekeken naar de wetsgeschiedenis waarin gesproken wordt van openbaarmaking is dat maar de vraag.

Conclusie

Als de beleidsregel in werking treedt, zal wat meer duidelijkheid bestaan over de uitleg van de Warmtewet en de Warmteregeling, wat een stap voorwaarts is. Het wachten is echter voornamelijk op het nieuwe wetsvoorstel voor de Warmtewet dat nu in voorbereiding is en op rechterlijke uitspraken die duidelijk maken hoe met regelgeving omtrent warmte moet worden omgegaan.