Op 29 april 2015 beantwoordde het Hof van Justitie van de Europese Unie ("Hof") de prejudiciële vragen die de rechtbank Rotterdam het Hof had gesteld in een procedure tussen Nationale Nederlanden Levensverzekering Mij N.V. ("NN") en de heer H.W. van Leeuwen ("Van Leeuwen") omtrent de informatieverschaffing bij het sluiten van een beleggingsverzekering.[1] Het Hof oordeelde onder meer dat artikel 31 lid 3 Derde Levensrichtlijn[2] er niet aan in de weg staat dat een verzekeraar op grond van algemene beginselen van nationaal recht gehouden is de verzekeringnemer bepaalde informatie te verstrekken in aanvulling op de informatie die is vermeld in bijlage II van de Derde Levensrichtlijn.[3] Het moet dan wel gaan om informatie die duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk is voor een goed begrip van de wezenlijke bestanddelen van de verzekering bij de verzekeringnemer en voldoende rechtszekerheid waarborgt.[4]

Op grond van deze uitspraak kunnen nationale rechters tot het oordeel komen dat verzekeraars aansprakelijk zijn voor door verzekeringnemers geleden verlies c.q. tegenvallend rendement op de grond dat de verzekeraars niet konden volstaan met het verstrekken van de informatie zoals die is genoemd in de bijlage bij de Derde Levensrichtlijn, maar in aanvulling daarop nadere informatie hadden moeten verstrekken op grond van (ongeschreven) open normen. Hieronder bespreek ik de achtergrond en de mogelijke gevolgen van deze uitspraak van het Hof voor de procedures die in Nederland lopen dan wel zullen worden opgestart.

Procedure rechtbank Rotterdam

NN is een "proefproces" gestart bij de rechtbank Rotterdam waarin zij een verklaring voor recht vordert dat de Derde Levensrichtlijn zich verzet tegen het aannemen van een verdergaande informatieverplichting dan voortvloeit uit de Regeling Informatieverstrekking Aan Verzekeringnemers 1998 ("RIAV 1998"). Aangezien volgens NN de toewijzing van deze vordering uitleg van de Derde Levensrichtlijn vergt, en die uitleg volgens haar is voorbehouden aan het Hof[5], verzoekt NN de rechtbank prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.

De rechtbank leidde uit de stellingen van partijen af dat deze procedure als proefproces dient te worden beschouwd. In verband daarmee nam de rechtbank – nu partijen hadden aangegeven daarover geen discussie te willen voeren – als vaststaand aan dat NN voorafgaand aan het sluiten van de polis aan Van Leeuwen de informatie verschafte waartoe zij op grond van de RIAV 1998 gehouden was.[6] Nu Van Leeuwen tevens stelt dat hij is geconfronteerd met het inhouden een (hoge) overlijdensrisicopremie, administratiekosten, aankoopkosten van beleggingen, beheerskosten, kosten van beleggingsfondsen, verkoopkosten van de beleggingen etc. – waarvan hij in de fase voor afsluiting van de polis naar zijn mening ten onrechte niet op de hoogte is gebracht – rees de vraag of partijen tot uitgangspunt nemen dat NN jegens Van Leeuwen de open normen (waaronder de precontractuele goede trouw en eisen van redelijkheid en billijkheid) heeft geschonden. Partijen hebben die vraag naar het oordeel van de rechtbank aldus beantwoord dat als uitgangspunt heeft te gelden dat – indien er volgens het Europese recht ruimte bestaat voor een verplichting van NN om Van Leeuwen meer gegevens te verstrekken dan in de RIAV 1998 is voorgeschreven – NN deze verplichting jegens Van Leeuwen heeft geschonden. De rechtbank maakte daaruit op dat partijen er in deze procedure van uitgaan dat NN de open normen jegens Van Leeuwen heeft geschonden. In dat licht zag de rechtbank aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof.[7]

Uitleg Hof

Zoals aangegeven in de inleiding, oordeelde het Hof kort gezegd dat een aanvullende informatieplicht voor verzekeraars kan worden aangenomen op grond van algemene beginselen van nationaal recht (waaronder open en ongeschreven normen), mits die aanvullende informatie onder meer duidelijk en nauwkeurig is en voldoende rechtszekerheid waarborgt.[8]

Het Hof overwoog in dit kader voorts dat het aan de verwijzende rechterlijke instantie is om te beoordelen of de in het geding aan de orde zijnde open en/of ongeschreven regels aan de vereisten van artikel 31 lid 2 Derde Levensrichtlijn voldoen.[9] Of een aanvullende informatieplicht geldt, kan en dient dus naar nationaal recht te worden beoordeeld.

Wat betreft de rechtszekerheid is interessant de overweging van het Hof dat bij de beoordeling welke vereisten moeten worden gesteld met betrekking tot de voorspelbaarheid van een dergelijke verplichting tot het verstrekken van aanvullende informatie, de nationale rechter in de beschouwing kan betrekken dat het aan de verzekeraar is, de aard en de kenmerkende eigenschappen van de door hem aangeboden verzekeringsproducten te bepalen, en dat deze dan ook in beginsel zou moeten kunnen vaststellen welke kenmerkende eigenschappen van die producten rechtvaardigen dat de verzekeringnemer aanvullende informatie moet worden verstrekt.[10] Hoe de nationale rechters hiermee omgaan, zal de komende tijd duidelijk worden.

Gevolgen uitspraak Hof voor Nederlandse procedures

In Nederland zijn verschillende procedures aanhangig tegens levensverzekeraars in het kader van de beleggingsverzekeringen.[11] De meeste van deze procedures zijn aangehouden in afwachting van de uitspraak van het Hof.

Met het antwoord van het Hof op de prejudiciële vragen van de rechtbank Rotterdam, is mijns inziens waarschijnlijk dat de rechtbank de door NN gevorderde verklaring voor recht zal afwijzen. Daarmee is echter nog geen aansprakelijkheid van NN jegens Van Leeuwen (noch jegens derden) gegeven. Of de aangesproken levensverzekeraars aansprakelijk zijn ten opzichte van verzekeringnemers voor door verzekeringnemers geleden verlies c.q. teleurstellend rendement, hangt af van onder meer het oordeel van de rechter op de vraag of een aanvullende informatieplicht geldt en of deze verzekeraars hebben voldaan aan hun (aanvullende) informatieverplichting. Daarbij zal met name van belang zijn welke informatie verzekeraars concreet (aanvullend) dienden te verschaffen vóór het afsluiten van de beleggingsverzekeringen en of deze informatie voldoende duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk voor een goed begrip van de beleggingsverzekering bij de (aspirant)verzekeringnemers en voldoende rechtszekerheid waarborgt, zoals het Hof verlangt.