Op 29 januari 2016 heeft de Hoge Raad een interessante uitspraak gewezen over de ontbinding (HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:152).

De feiten waren als volgt.

Twee broers zijn tot 1995 gezamenlijk eigenaar van een huis in Zeeland. Nadat broer A de volledige eigendom heeft verkregen, bedingt broer B het recht om gedurende een aantal weken per jaar het huis te huren conform een vastgestelde maximum prijs.

Enkele jaren later wil broer A van het huis zijn hoofdverblijf maken, en bijgevolg het niet meer aan B verhuren. B is van oordeel dat A hiermee toerekenbaar is tekort gekomen in de nakoming van het huurbeding en stelt A in gebreke. Vervolgens ontbindt hij de huurovereenkomst buitengerechtelijk en claimt hij een schadevergoeding. A en B besluiten hun geschil voor te leggen aan een bindend adviseur, die oordeelt dat B jegens A geen recht heeft op betaling van de schadevergoeding. B adieert vervolgens de rechter.

In cassatie klaagt A onder meer dat het Hof heeft miskend dat de enkele bestrijding van wanprestatie die als basis ligt aan een ontbindingsverklaring, niet zonder meer meebrengt dat geen beroep kan worden gedaan op de beëindiging van de overeenkomst. De Hoge Raad overweegt onder verwijzing naar het arrest G4/Hanzevast (HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684), dat indien een wederpartij de rechtvaardigheid van de ontbindingsverklaring bestrijdt, zij daarmee in de regel ook het met die verklaring beoogde rechtsgevolg bestrijdt. Als de rechter vervolgens tot het oordeel komt dat de ontbindingsverklaring niet gerechtvaardigd was, dan staat daarmee in beginsel vast dat partijen nog steeds aan de overeenkomst zijn gebonden. De Hoge Raad vat hier de drie in het Hanzevast-arrest genoemde gevallen waarin dit anders is samen:

  • Partijen kunnen zich naar aanleiding van een niet-gerechtvaardigde ontbindingsverklaring dusdanig jegens elkaar gedragen dat daarin een nadere tot beëindiging van de overeenkomst strekkende beëindigingsovereenkomst is opgenomen.
  • Het beroep op het voortbestaan van de overeenkomst kan stuiten op art. 6:248 lid 2 BW (onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van een als gevolg van een overeenkomst tussen partijen bestaande regel).
  • De wederpartij kan bestrijden dat de ontbindingsverklaring gerechtvaardigd was, maar zich erbij neerleggen dat degene die de ongerechtvaardigde ontbindingsverklaring heeft uitgebracht, de overeenkomst niet meer nakomt. De wederpartij zal dan ook van haar kant de overeenkomst niet verder hoeven uit te voeren.

De Hoge Raad concludeert dat, naar het Hof heeft overwogen, A heeft aangevoerd dat aan de huurovereenkomst een einde is gekomen omdat B de overeenkomst heeft ontbonden en deze ontbinding door A is aanvaard, althans dat de ontbindingsverklaring van B moet worden gezien als een voorstel tot beëindiging van de huurovereenkomst, dat door A is aanvaard.

Door vervolgens te overwegen dat dit standpunt niet kan worden aanvaard omdat het een partij, wier wederpartij een tussen hem gesloten overeenkomst ontbindt op grond van wanprestatie, niet vrij staat de daartoe strekkende verklaring aldus te splitsen dat de ontbinding wel, doch de wanprestatie niet wordt erkend, heeft het Hof een onjuist standpunt ingenomen.