De regeling vervroegde uittreding (RVU) blijft de gemoederen bezig houden. Hoewel we uit de crisis lijken te zijn, zijn reorganisaties nog steeds orde van de dag. Het risico bestaat dat een vrijwillige vertrekregeling voor ouderen wordt aangemerkt als RVU, waarover de werkgever 52% eindheffing verschuldigd is. Deze RVU-heffing is niet verschuldigd als de vermindering van het personeelsbestand plaatsvindt op basis van objectieve criteria (zoals het afspiegelingsbeginsel), waarbij niet de intentie bestaat oudere werknemers met het oog op vervroegd uittreden te ontslaan.

Regeling Vervroegde Uittreding

De Hoge Raad heeft 13 mei jl. na sprongcassatie arrest gewezen in de RVU-kwestie van de Provincie Zeeland. Op 22 januari 2015 oordeelde Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat een non-activiteitsregeling (NAR) voor ouderen (57+) dient te worden aangemerkt als een Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU). Ondanks dat de werkgever de noodzaak van het invoeren van de NAR aannemelijk had gemaakt (omdat er geen ander instrument zou zijn dat voldoende zou bijdragen aan de noodzakelijke formatiereductie), kwam de Rechtbank tot de conclusie dat RVU-heffing verschuldigd was.

De Hoge Raad bevestigt nu deze uitspraak en benadrukt dat bij de vraag of sprake is van een RVU, het erom gaat of de uitkeringen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen tot aan de pensioendatum. Volgens de Hoge Raad zijn de beweegredenen van de werkgever om de uitkeringen te geven daarbij niet van belang. Kortom: een NAR voor uitsluitend 57-jarigen mag dan zijn grond in de reorganisatie vinden, maar volgens de Hoge Raad kun je in dat geval niet beweren dat het niet de bedoeling is om ouderen vervroegd te laten uittreden. Volgens de wet gaat het immers om het doel van de regeling. Gezien het feit dat deze vertrekregeling alleen voor 57-jaar en ouder was bedoeld, is dit geen onverwachte uitspraak. Gelukkig heeft de Hoge Raad niet aangegeven dat daarbij gekeken moet worden naar de uiteindelijke uitkomst van de vertrekregeling (hoeveel ouderen zijn vertrokken), nadat de reorganisatie is voltooid. Dit schept weer hoop, nu de fiscus in de praktijk wel zijn oordeel lijkt te baseren op het aantal ouderen dat na afloop van de reorganisatie gebruik blijkt te hebben gemaakt van de vertrekregeling.

Niet leeftijd gerelateerde vertrekregeling

Onze ogen zijn nu gericht op de andere RVU-uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (19 februari 2015), waarin de Rechtbank de RVU-heffing wel van tafel veegde. Daar stond de vertrekregeling voor iedereen open, ongeacht de leeftijd en kon de fiscus volgens de Rechtbank om die reden niet aannemelijk maken dat het een RVU betrof. Voor deze zaak, waarin de fiscus nu 1-0 achter staat, is geen sprongcassatie toegepast. Het wachten is nu op het oordeel van Hof Den Bosch

De toekomst zal dus moeten uitwijzen of de Rechtbank de goede richting op heeft gewezen door het doel van de uitkeringen uit de vertrekregeling als norm te stellen. Een vertrekregeling die alleen voor ouderen open staat, riekt volgens de Hoge Raad daarbij toch erg naar een Regeling voor vervroegde uittreding.