Met ingang van 1 januari 2015 zijn artikel 6.27 van de Waterwet en artikel 3.16 Wabo gewijzigd. De wijziging is een gevolg van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 juni 2014. Deze uitspraak signaleerden wij al eerder op dit Stibbeblog. Uit de uitspraak volgt dat een burger zich rechtstreeks voor de nationale rechter kan beroepen op artikel 7 van de IPPC-richtlijn. Deze bepaling bevat de plicht om de procedures te coördineren van de vergunningen die een grondslag vinden in de implementatieregelgeving van de IPPC-richtlijn. Dezelfde verplichting is opgenomen in de opvolger van de IPPC-richtlijn, de Richtlijn industriële emissies (RIE). Uit beide richtlijnen volgt namelijk dat bij toestemmingverlening voor een zogenaamde IPPC-installatie een integrale beoordeling van de milieugevolgen is vereist. Als meer dan één toestemmingsbesluit is vereist, moet de voorbereiding van die besluiten gecoördineerd plaatsvinden. Dat was nog niet goed geregeld in de Nederlandse wetgeving. Er was alleen een verplichte coördinatie tussen een omgevingsvergunning voor milieu en een watervergunning voor lozingen. Niet voor andere watervergunningen.

De wijziging van de Waterwet en Wabo heeft dus betrekking op de coördinatie van een omgevingsvergunning voor milieu voor een IPPC-installatie (waarvoor de procedure in de Wabo is neergelegd) met een daarmee samenhangende watervergunning (waarvoor de procedure in de Waterwet is neergelegd).

Artikel 6.27 lid 1 van de Waterwet luidt (voor zover hier van belang) sinds 1 januari 2015 als volgt:

“Een aanvraag tot verlening of wijziging van een watervergunning (…) die betrekking heeft op (…)  een inrichting waartoe een IPPC-installatie als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht behoort, (…) wordt gelijktijdig ingediend met een aanvraag tot verlening of wijziging van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (…).”

Concreet betekent dit dat de reikwijdte van het artikellid is verbreed van alleen de watervergunning voor het lozen, naar (bijna) alle watervergunningen, dus ook voor watervergunningen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water. Er is wel een uitzondering opgenomen voor vergunningen voor het gebruik van een waterstaatswerk of een bijbehorende beschermingszone. Daarnaast is de coördinatieplicht verruimd bij de samenloop van een Kernenergiewetvergunning met een watervergunning.

Artikel 3.16 Wabo luidt sinds 1 januari 2015 als volgt:

“In gevallen waarin een omgevingsvergunning of een wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning wordt aangevraagd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is en die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, waarbij sprake is van een handeling waarvoor een watervergunning als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, van de Waterwet vereist is, worden, indien op de voorbereiding van die watervergunning afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, bij de toepassing van deze wet de bepalingen van deze paragraaf in acht genomen.”

Dit artikel vormt dus het spiegelbeeld van artikel 6.27 Waterwet.

De wijzigingen zijn (bij Nota van Wijziging) ingevoerd met de Reparatiewet infrastructuur en milieu 2014 (Stb. 2014, 581).

Met deze wijziging is de coördinatiebepaling uit de IPPC-richtlijn en RIE in de Wabo en Waterwet geïmplementeerd. Dit draagt bij aan de rechtszekerheid, omdat de coördinatieregeling vanaf nu duidelijk uit de wet volgt en op dit punt geen kennis van de Europese richtlijnen en uitspraken van de bestuursrechter meer nodig is.