De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in het kader van fraudebestrijding laten weten aan te sturen op de instelling van het centraal aandeelhoudersregister (‘CAHR’) op 1 januari 2016. In het CAHR zal informatie worden opgenomen over aandelen en aandeelhouders (en pandhouders en vruchtgebruikers) van BV’s, niet-beursgenoteerde NV’s, Europese NV's (‘SE's’) en Europese coöperaties (‘SCE's’), beide met statutaire zetel in Nederland. Daarnaast verplicht de Europese Vierde anti-witwasrichtlijn dat uiterlijk in 2017 door iedere lidstaat een zogenaamd UBO-register (uiteindelijk-belanghebbendenregister) zal worden ingesteld. In dit register dienen alle Europese bedrijven zelf informatie over hun uiteindelijke belanghebbende (de Ultimate Beneficial Owner, ‘UBO’) bij te houden. Daar waar het centraal aandeelhoudersregister slechts beperkt toegankelijk zal zijn, zal het UBO-register toegankelijk zijn voor een ieder met een legitiem belang. Dit heeft gevolgen voor de privacy van onder meer grootaandeelhouders van (familie)bedrijven.

Begin 2015 is een consultatie gehouden over een ontwerp wetsvoorstel waarin onder meer wordt voorgesteld het CAHR in te stellen bij het handelsregister. De regeling zal worden opgenomen in de Handelsregisterwet 2007 en nadere eisen, zoals de informatie die in het register zal worden opgenomen, zal worden vastgesteld bij een nog openbaar te maken algemene maatregel van bestuur.

Het primaire doel van het CAHR is om het handelen en het vermogen van een fraudeur te kunnen blootleggen en in dat kader gegevens over aandelen op naam en de houders daarvan (en vruchtgebruikers en pandhouders) in het kapitaal van BV’s, niet-beursgenoteerde NV’s, SE’s en SCE’s op één centrale plaats beschikbaar te hebben. Deze informatie dient te worden aangeleverd door de notaris die de relevante akte verlijdt. De verplichting voor vennootschappen om een eigen aandeelhoudersregister bij te houden, blijft bestaan. Voorgesteld wordt om het CAHR beperkt open te stellen. Alleen aandeelhouders, notarissen en bepaalde overheidsdiensten, zoals het Openbaar Ministerie en Dienst Justis, zouden toegang moeten krijgen.

Op 25 juni 2015 is de Europese Vierde anti-witwasrichtlijn in werking getreden, op grond waarvan EU lidstaten o.a. moeten zorgen dat de op hun grondgebied opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten (trusts en daarmee vergelijkbare entiteiten) bepaalde informatie over de identiteit van hun juridische eigenaren en uiteindelijke begunstigden (UBO's) in een centraal register (UBO-register) bijhouden. Onder een UBO moet in dit verband worden verstaan een natuurlijke persoon die wordt gezien als de uiteindelijke eigenaar van of degene die zeggenschap heeft over die entiteit (niet een beursvennootschap) door een direct of indirect eigendomsbelang van een bepaald percentage van de aandelen of het kunnen uitoefenen van een zeker percentage van de zeggenschapsrechten. In dit kader wordt als indicatie van een (in)direct eigendom een percentage van meer dan 25% gegeven. Lidstaten kunnen een lager percentage als indicatie geven. Onder omstandigheden kan het ook gaan over natuurlijke personen die behoren tot het hoger leidinggevend personeel. Vermeld moeten worden naam, geboortemaand en –jaar, nationaliteit, land van verblijfplaats en aard en omvang van de deelneming.

Het gevolg van deze richtlijn is dat na implementatie iedere Europese entiteit die onder de regeling valt haar UBO's zal moeten identificeren en registreren in het nationale UBO-register.

Het UBO-register zal toegankelijk zijn voor overheidsinstanties en hun opsporingsdiensten maar ook voor bepaalde instellingen of beroepsgroepen die onder de witwas- en terrorismefinancieringsbestrijdingsregelgeving vallen, zoals kredietinstellingen, financiële instellingen, accountants, belastingadviseurs, notarissen en advocaten. Daarnaast kan iedereen die een legitiem belang (legitimate interest) aantoont, toegang krijgen tot het UBO-register. Wanneer van een legitiem belang sprake zal zijn, is vooralsnog niet duidelijk. Het begrip lijkt een ruim toepassingsbereik te krijgen, waardoor bijvoorbeeld ook onderzoeksjournalisten toegang zouden kunnen krijgen. Gevolg hiervan is dat persoonlijke gegevens van UBO's ook voor derden toegankelijk zijn.   

EU-lidstaten hebben tot 26 juni 2017 om de richtlijn te implementeren in nationale wetgeving.