Onlangs is een Kamerbrief van de Minister van EZ (hierna: de Minister) verschenen over de evaluatie van de huidige Warmtewet en is een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) gepubliceerd over de reikwijdte van het begrip ‘warmte’ in de Warmtewet.

In deze Energy News Alert wordt allereerst de uitspraak van het CBb van 22 februari 2016 besproken omdat deze uitspraak gevolgen kan hebben voor warmteleveranciers, nu de reikwijdte van het begrip ‘warmte’ door het CBb is opgerekt ten aanzien van warmtesystemen met levering van warmte met een lage temperatuur.

Voor de volledigheid van deze alert wordt verder kort ingegaan op de uitkomsten van de rapportages behorende bij de Kamerbrief van de Minister van 17 februari 2016. De uitkomsten uit deze rapporten zullen de basis vormen voor een nieuw voor te bereiden wetsvoorstel.

Tot slot wordt in deze Energy Alert een voorlopige planning van de Minister weergegeven met betrekking tot (het hiervoor reeds genoemd) wetsvoorstel voor een nieuwe Warmtewet.

Uitspraak CBb: levering van warmte via een systeem van warmte- en koudeopslag (WKO) in combinatie met een warmtepomp kan, ondanks de lage temperatuur van de warmte, worden aangemerkt als levering van warmte in de zin van de Warmtewet.

Appellanten, bewoners van de wijk Hoogeland in Naaldwijk, zijn in beroep gegaan tegen het besluit van ACM waarin zij de bezwaren van appellanten tegen de afwijzing van hun verzoek om op grond van de Warmtewet handhavend op te treden jegens Vestia, ongegrond heeft verklaard. De warmte wordt in deze gevallen geleverd door middel van water dat wordt opgepompt uit bronnen in de bodem waarin warmte- en koude wordt opgeslagen (WKO). De woningen van appellanten zijn elk voorzien van een warmtepomp, die warmte aan het grondwater onttrekt om daarmee de woning en de warmwaterboiler voor het tapwater te verwarmen. De gemiddelde temperatuur van het grondwater bedroeg 11,95 graden Celsius (gemeten in 2013).

Situatie vóór de uitspraak van het CBb

ACM heeft in het bestreden besluit (zaak 14.0631.52.1.01 van 4 december 2014) geoordeeld dat de Warmtewet niet van toepassing is op deze woningen, omdat geen sprake is van de levering van “warmte” in de zin van die wet. ACM meent dat zij daarom in dit geval niet over toezichthoudende en handhavende bevoegdheden beschikt. Zij geeft aan dat slechts sprake is van de levering van warmte, als de gemiddelde temperatuur van het water op het overdrachtspunt – hier gelegen voor de waterpompen in de woningen van appellanten – geschikt is voor huishoudelijke doeleinden. Een gemiddelde temperatuur van 11,95 graden Celsius acht zij daarvoor onvoldoende.

Oordeel CBb

Het CBb stelt appellanten in het gelijk. Appellanten hebben terecht naar voren gebracht dat de voornaamste doelstelling van de Warmtewet is gelegen in de bescherming van verbruikers zoals zijzelf, die voor hun warmtebehoefte geheel afhankelijk zijn van hun lokale warmteleverancier (Kamerstukken II 2002/03, 29 048, nr. 3). Wat daarbij onder “warmte” dient te worden verstaan en tot wie die bescherming zich dus uitstrekt, heeft de wetgever in het kader van de formulering van de definitie van het begrip warmte uitdrukkelijk onder ogen gezien. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever er daarbij voor heeft gekozen om ook vormen van warmte met eenlage temperatuur (cursivering aangebracht, red.) als hier aan de orde, onder de Warmtewet te laten vallen.

Het beroep van appellanten is gegrond en het CBb vernietigt het besluit van ACM en draagt ACM op om een nieuw besluit te nemen.

Gevolgen CBb-uitspraak

Warmteleveranciers die, naar aanleiding van het besluit van ACM eind 2014, eerst niet, maar door de CBb-uitspraak nu wél onder de Warmtewet vallen, dienen zich aan administratieve, organisatorische en financiële verplichtingen te houden, zoals opgenomen in de Warmtewet.

Deze verplichtingen omvatten, onder meer, het leveren van warmte tegen redelijke voorwaarden en met in achtneming van goede kwaliteit van dienstverlening; het hanteren van een maximumtarief zoals bedoeld in de Warmtewet met betrekking tot de prijs voor warmte, de redelijke kosten voor het ter beschikking stellen van de warmtewisselaar en het tarief voor het meten van het warmteverbruik. Daarnaast zijn er ook verplichtingen met betrekking tot de voor levering van warmte overeen te komen voorwaarden en wijziging ervan; administratieve verplichtingen met betrekking tot het voeren van een afzonderlijke boekhouding van de leverancier; en het bijhouden van een storingsregistratie.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 22 februari 2016, zaak 15/97, ECLI:NL:CBB:2016:30

Evaluatie van de Warmtewet

Zoals hiervoor is aangegeven heeft de Minister van EZ een Kamerbrief gepubliceerd naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet. De evaluatie (inclusief de daarbij behorende rapporten) is reeds uitgebreid aangekondigd in de Warmtevisie van de Minister van 2 april 2015 en is een vervolg op de Kamerbrief van de Minister van 1 juli 2015 over de knelpunten in de Warmtewet.

In zijn brief van 17 februari 2016 informeert de Minister de Tweede Kamer over de conclusies en adviezen uit de rapporten ‘Evaluatie Warmtewet en toekomstig marktontwerp warmte’ en de ‘Rendementsmonitor warmteleveranciers’. De hoofdconclusie uit het rapport over de evaluatie van de Warmtewet is dat de bescherming van de gebonden warmteafnemers met een aansluiting van maximaal 100 kW sinds de inwerkingtreding van de Warmtewet aanzienlijk beter worden beschermd dan voor de inwerkingtreding van de wet.

In het bijzonder komen de knelpunten aan de orde die al eerder in zijn brief van 1 juli 2015 zijn aangekaart. Deze knelpunten betreffen de tariefbescherming en de reikwijdte van de Warmtewet.

Ten aanzien van de tariefbescherming is de conclusie van de onderzoekers dat er geen ideaal systeem bestaat dat een perfecte balans vindt tussen belangen van zowel de afnemers als van de leveranciers. Desondanks hebben onderzoekers een voorkeur voor één systeem dat op de korte termijn het meest stabiel is: de zogenaamde indexbenadering. Hierbij wordt een starttarief vastgesteld op basis van het ‘niet-meer-dan-anders-principe’ (‘NMDA’). Vervolgens wordt dit tarief jaarlijks geïndexeerd op basis van de gemeten kostenontwikkeling (productiviteitsverandering) in de warmtesector.

Ook heeft de Minister in zijn brief aangegeven dat hij de conclusie van de onderzoekers deelt dat het wenselijk is om op langere termijn de koppeling van de warmteprijs aan de aardgasprijs te verlaten.

Voorstel onderscheid gebiedsgebonden en gebouwgebonden leverancier

Met betrekking tot de reikwijdte van de Warmtewet springt het advies in het oog van de onderzoekers om binnen de Warmtewet een onderscheid te maken tussen de gebiedsgebonden en de gebouwgebonden leverancier (wat nu o.a. als blokverwarming kan worden beschouwd). De gedachte hierachter is om vooral voor de gebouwgebonden leveranciers de administratieve, organisatorische en financiële verplichtingen te verlichten door voor deze groep een ‘aparte set van eisen’ te definiëren.

Daarnaast kan er ten aanzien van de gebouwgebonden leverancier nog een nader onderscheid worden gemaakt tussen: i) een gebouwgebonden leverancier in een situatie van doorlevering en ii) een gebouwgebonden leverancier die voor de warmtelevering exclusief gebruik maakt van een gebouwgebonden installatie.

Planning wetsvoorstel

De Minister is voornemens het wetsvoorstel nog vóór de zomer ter openbare consultatie voor te leggen. Na verwerking van het commentaar en de uitvoering van de nodige verplichtingen, zal de Minister het wetsvoorstel ter advisering voorleggen bij de Raad van State. De Minister streeft ernaar om het wetsvoorstel nog dit jaar bij de Tweede Kamer in te dienen.

Kamerstukken II, 2015/16, 34 415, nr. 1

Bijlage: Evaluatie Warmtewet en toekomstig marktontwerp warmte, 9 februari 2016

Bijlage: Rendementsmonitor warmteleveranciers, 6 november 2015