De indiener van het bezwaarschrift dient op grond van artikel 6:6 Awb in de gelegenheid te worden gesteld om een verzuim te herstellen, voordat het bestuursorgaan een bezwaarschrift niet-ontvankelijk kan verklaren. Uit een uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016 volgt dat indien de gestelde termijn voor het herstel bedoeld is als fatale termijn, het bestuursorgaan op grond van het zorgvuldigheidsvereiste dient te vermelden dat bij het overschrijden van die termijn de kans bestaat dat dit niet-ontvankelijkheid tot gevolg zal hebben.

Achtergrond

Het college van burgemeester en wethouders van Westerveld heeft een Wob-verzoek van appellant doorgezonden aan de Intergemeentelijke Sociale Dienst Steenwijkerland & Westerveld (IGSD). Appellant heeft bij e-mail bezwaar gemaakt tegen deze doorzending. Het college heeft op deze e-mail gereageerd met de stelling dat het bezwaarschrift niet voldoet aan de eisen van de Awb omdat het is ingediend via e-mail en niet is ondertekend. Appellant wordt daarom verzocht het bezwaarschrift schriftelijk en ondertekend in te dienen binnen twee weken na datum van verzending van de brief van het college. Als appellant aan dit verzoek niet voldoet, kan het bezwaar op grond van artikel 6:6 Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

In reactie op de brief van het college heeft appellant verzocht de door het college gestelde termijn te verlengen met vier weken. Bij e-mail verlengt het college de termijn met ruim twee weken, waarbinnen de appellant het bezwaarschrift niet aanvult. Het college verklaart het bezwaarschrift daarom niet-ontvankelijk. Appellant gaat tegen de niet-ontvankelijkheid in beroep.

Beroep in eerste aanleg

De rechtbank is van oordeel dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door in het e-mailbericht waarbij het de termijn voor herstel verlengt, niet te vermelden dat, indien appellant niet binnen de gestelde termijn reageert, het bezwaarschrift niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De omstandigheden van het geval brengen echter mee, dat hoewel hierdoor niet aan het zorgvuldigheidsvereiste is voldaan, het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring in rechte toch stand kan houden.

Hoger beroep

Appellant is het daar niet mee eens. Het college zou ten onrechte hebben nagelaten opnieuw een fatale termijn te stellen en heeft daarbij nagalaten te vermelden dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkheid zal leiden. Dit geldt volgens appellant des te meer nu hij het bezwaarschrift zelf heeft ingediend en van een burger niet kan worden verwacht dat hij op de hoogte blijft van het steeds ingewikkelder wordende rechtssysteem.

Oordeel Afdeling

De Afdeling sluit met de rechtbank aan bij hetgeen de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen in de uitspraak van 8 maart 2005, en herhaald in de uitspraak van 27 maart 2012. In deze uitspraken overwoog de Centrale Raad dat de zorgvuldigheid die in het kader van de bezwaarschriftprocedure in acht dient te worden genomen, meebrengt dat, indien een bestuursorgaan aan de indiener van het bezwaarschrift een als fataal bedoelde termijn stelt om een gepleegd verzuim te herstellen, daarbij dient te vermelden dat bij het overschrijden van die termijn de kans bestaat dat dit niet-ontvankelijkheidverklaring tot gevolg zal hebben. Aan dit zorgvuldigheidsvereiste wordt niet voldaan, indien bij een eerdere, voor het herstel van het verzuim gestelde termijn wel is gewezen op de mogelijkheid van niet-ontvankelijkheid bij overschrijding daarvan, maar bij de laatste daarvoor gestelde termijn niet. De omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat, indien niet is voldaan aan dit zorgvuldigheidsvereiste, daaraan toch niet de gevolgtrekking dient te worden verbonden dat het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in rechte geen stand kan houden, aldus de Centrale Raad van Beroep. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan situaties waarin de mogelijkheid uitgesloten moet worden geacht dat wel zorg zou zijn gedragen voor het tijdig herstellen van het verzuim, indien het bestuursorgaan er wel (nogmaals) uitdrukkelijk op zou hebben gewezen dat geen (verder) uitstel zou worden verleend en tevens (opnieuw) zou hebben gewezen op de mogelijke consequenties van de niet-ontvankelijkverklaring.

De rechtbank heeft volgens de Afdeling dan ook terecht geoordeeld dat het college niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Met de rechtbank komt de Afdeling ook tot het oordeel dat de omstandigheden van het geval meebrengen dat de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het bezwaar in rechte stand kan houden. Het college had al in zijn brief duidelijk gemaakt dat het bezwaar niet-ontvankelijk zou worden verklaard indien appellant niet binnen twee weken een schriftelijk, ondertekend bezwaarschrift zou toezenden. Pas na afloop van die twee weken had appellant bij e-mail verzocht om uitstel. Hij wordt dan ook geacht op de hoogte te zijn geweest van de in de brief weergegeven gevolgen van het niet tijdig herstellen van verzuimen. Bewijs van een hersteld bezwaarschrift heeft appellant ook niet geleverd.

Observaties

De uitspraak van de Afdeling is een mooi voorbeeld van rechtseenheid in het bestuursrecht. Door aan te sluiten bij rechtspraak van de Centrale Raad voor Beroep zorgt de Afdeling ervoor dat burgers wat betreft de mogelijkheid tot herstel van een bezwaarschrift bij verschillende instanties gelijk behandeld zullen worden.

Gegevens uitspraak

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 25 mei 2016

Zaaknummer: 201507066/1/A3

ECLI:NL:RVS:2016:1399