Eenieder wordt geacht de wet te kennen. Dit adagium voorkomt dat (rechts)personen zich bij een overtreding verschuilen achter onwetendheid. Maar hoe gemakkelijk is het om de wet te kennen?

De website wetten.overheid.nl toont (oktober 2014) de volgende aantallen treffers:

  • Wetten in formele zin – 1940;
  • Algemene maatregelen van bestuur en andere Koninklijke Besluiten – 2244;
  • Ministeriële regelingen – 527.

Dat is niet niets. Uiteraard zijn de resultaten vervuild door bijvoorbeeld aanpassingsregelingen die apart worden genoemd, of inwerkingtredings-KB’s. Maar dat doet niet af aan het feit dat er een ondoordringbaar woud aan regels is. Is dat erg? Nee, niet direct. We leven in een hoog gereguleerd land waar de norm is om regels op papier te zetten. Dat biedt duidelijkheid. Maar dat moeten wel begrijpelijke regels zijn. Aanwijzing 10 van de Aanwijzingen voor de regelgeving luidt niet voor niets:

“Gestreefd wordt naar duidelijkheid en eenvoud van regelingen en naar een bestendig karakter daarvan.”

Wat ik erg vind is de continue drang naar deregulering die, in strijd met Aanwijzing 10, in de praktijk alleen maar tot complexiteit en rechtsonzekerheid leidt. Een voorbeeld. Milieuactiviteiten waren vroeger vergunningplichtig, tenzij er een uitzondering gold. Dan kreeg je te maken met algemene regels. In 2008 is dat systeem omgedraaid met het Activiteitenbesluit. Er gelden nu rechtstreeks werkende algemene regels. De vergunningplicht is een uitzondering geworden. In 2008 vielen er nog veel bedrijven onder de vergunningplicht. Maar elk jaar worden er meer bedrijven overgeheveld van de vergunningplicht naar de algemene regels onder het streven naar deregulering. Betekent het vervallen van de vergunningplicht minder lasten voor het bedrijf? Ik betwijfel dat. In plaats van één vergunning waarin de voorschriften waar een bedrijf aan moet voldoen netjes gegroepeerd staan, vaak in ca. 20 pagina’s, moeten bedrijven zich nu door de 185 pagina’s van het Activiteitenbesluit en 232 pagina’s de Activiteitenregeling worstelen om te weten welke regels op hen van toepassing zijn. Regels die ze moeten naleven op straffe van een sanctie. Ook de toezichthoudende instanties van de overheid moeten uitzoeken welke regels van toepassing zijn. Hetzelfde geldt voor omwonenden die zich afvragen of wel wordt voldaan aan de regels. Daarnaast zijn steeds meer regels uit het Activiteitenbesluit ook van toepassing op de zware industrie (IPPC-bedrijven). Die bedrijven hebben en houden vaak al een uitgebreide vergunning, maar moeten daarnaast nu ook rekening houden met het Activiteitenbesluit. Ik vind dat geen verlichting, maar een verzwaring van de lasten.

Bovendien stoort de ingewikkeldheid van de regels. Ter illustratie: Onlangs is de ‘4e tranche van de tweede fase’ van het Activiteitenbesluit in ontwerp gepubliceerd. Daarin staat een tabel met emissie-eisen voor categorieën van stoffen. Voor welke stoffen deze eisen gelden is pas weer terug te vinden in de Activiteitenregeling en een daarbij behorende bijlage. Deze constructie wordt pas helder als een goed ingevoerd persoon niet alleen de betreffende paragraaf van het besluit leest, maar ook de overige bepalingen. Bij de definitieve vaststelling zou meer aandacht voor het streven naar duidelijkheid en eenvoud niet misstaan.

Nu betekent deregulering dat bedrijven, burgers en toezichthouders zich het gehele Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling eigen moeten maken. Een onwenselijke uitkomst.

Dit bericht is eerder gepubliceerd als redactioneel in Bouwrecht 2014/128.