U herinnert zich waarschijnlijkdat het Hof van Justitie in een arrest van 14 juli 2016 (C-406/14) heeft geoordeeld dat een aanbestedende dienst niet kan bedingen dat de ondernemer aan wie de opdracht wordt gegund, een bepaald abstract percentage van de onder de opdracht vallende werken met eigen middelen uitvoert.

Soortgelijk heeft het Hof van Justitie in een recent arrest van 5 april 2017 (C-298/15) geoordeeld dat een bepaling, waarin wordt bepaald dat indien een beroep op onderaannemers wordt gedaan, het “hoofdgedeelte” van de opdracht door de gekozen inschrijver (en dus niet door een onderaannemer) moet worden uitgevoerd, in beginsel niet toelaatbaar is.

Het Hof nuanceert echter haar standpunt door te stellen dat een dergelijke beperking toch gerechtvaardigd kan zijn voor zover daarmee een legitiem doel van algemeen belang wordt nagestreefd (zoals de correcte uitvoering van de werken) en het evenredigheidsbeginsel wordt gerespecteerd. Dit moet vanzelfsprekend geval per geval worden beoordeeld.

Het Hof van Justitie heeft zich in hetzelfde arrest ook uitgesproken over de wettigheid van een beding, dat vereist wanneer een gezamenlijke offerte wordt ingediend, de bijdrage van elk lid van de THV om te voldoen aan de vereisten inzake beroepsbekwaamheid evenredig is aan het deel van de werken dat hij daadwerkelijk zal uitvoeren bij de gunning van de opdracht.

Dit is interessant aangezien ook volgens de Belgische overheidsopdrachtenreglementering een soortgelijke eis (voor de onderaannemers) kan worden gesteld (art. 12 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013).

In casu wenste de betrokken aanbestedende overheid op deze manier te voorkomen dat een inschrijver zich beroept op een bekwaamheid die hij niet voornemens is te gebruiken, en, omgekeerd, dat een inschrijver toegang krijgt tot de opdracht en een deel van de werken kan uitvoeren, zonder evenwel te beschikken over de bekwaamheid en de middelen die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van deze werken.

In het licht van deze (legitieme) doelstelling, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de besteksbepaling in casu onwettig was omdat de beroepsbekwaamheid van de onderaannemers niet werd nagegaan. De besteksbepaling was aldus niet geschikt om de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen te garanderen.

Als men dus in een bestek eist dat i.g.v. een gezamenlijke offerte, de beroepsbekwaamheid van elk lid van de THV evenredig dient te zijn aan het deel dat hij daadwerkelijk zal uitvoeren, dan dient deze aanbestedende overheid in ieder geval ook de beroepsbekwaamheid van de onderaannemers na te gaan.