Op 30 maart 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag zich uitgelaten over de reikwijdte van artikel 3.1 vierde lid Wro. Dit artikel vormt een stok achter de deur voor bestuursorganen die niet tijdig een nieuw bestemmingsplan vaststellen of een verlengingsbesluit nemen. Dit artikel bepaalt namelijk dat bestuursorganen die niet op tijd aan hun actualiseringsplicht voldoen geen leges meer mogen heffen over diensten die verband houden met het bestemmingsplan.

In een aantal eerder gewezen rechtbankuitspraken werd uiteenlopend geoordeeld over de reikwijdte van dit artikel. De rechtbank Gelderland oordeelde op 27 oktober 2015 bijvoorbeeld dat artikel 3.1 vierde lid Wro ruim moet worden uitgelegd, waarbij alle leges die betrekking hebben op één en dezelfde vergunningsaanvraag onder de legessanctie van artikel 3.1 vierde lid Wro vallen. De leges voor welstandadvies vallen naar het oordeel van de rechtbank Gelderland dus ook binnen de reikwijdte van artikel 3.1 vierde lid Wro. De rechtbank Noord-Holland oordeelde daarentegen op 4 december 2015 dat de reikwijdte van artikel 3.1 vierde lid Wro beperkter moet worden uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank Noord-Holland mogen leges voor de welstandscommissie en de bodemrapporten wel worden geheven, omdat deze diensten geen verband houden met het bestemmingsplan.

Achtergrond

In het onderhavige geschil had eiseres een omgevingsvergunning aangevraagd voor verschillende activiteiten in de gemeente Teylingen, waaronder de activiteiten ‘bouwen’ en ‘slopen, verstoren of wijzigen van een monument’. De aanvraag werd door het bevoegd gezag onder meer getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Centrum Zuid” dat op 16 maart 1999 was vastgesteld. Het bestemmingsplan was ten tijde van de aanvraag op 9 september 2013 dus al meer dan tien jaar oud. Voor de toepassing van artikel 3.1 vierde lid Wro is van belang dat het bevoegd gezag tussentijds geen nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld of verlengingsbesluit heeft genomen, waardoor het bestemmingsplan “Centrum Zuid” onder de reikwijdte van artikel 3.1 vierde lid Wro valt.

Het bevoegd gezag weigerde de door eiseres aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen en bracht leges voor deze aanvraag in rekening bij eiseres, conform de Verordening op de heffing en invordering van leges 2013 met bijbehorende Tarieventabel (‘Verordening en Tarieventabel’) van de gemeente Teylingen. Nadat zij in bezwaar was gegaan bij de heffingsambtenaar ging eiseres in beroep bij de rechtbank Den Haag (‘Rechtbank’) tegen de aan haar in rekening gebrachte leges.

Rechtbank

In beroep buigt de Rechtbank zich onder meer over de vraag of de legessanctie uit artikel 3.1 vierde lid Wro ziet op de gehele vergunningaanvraag of alleen op de gedeelten die in relatie tot het bestemmingsplan staan.

De Rechtbank oordeelt dat artikel 3.1 vierde lid Wro ruim moet worden uitgelegd. Dit oordeel baseert de Rechtbank op de wetsgeschiedenis waaruit blijkt dat ‘leges ter zake van vergunningen voor bouw-, aanleg-, of sloopactiviteiten binnen het betrokken bestemmingsplangebied’ onder de legessanctie van artikel 3.1 vierde lid Wro vallen. Uit de letterlijke tekst van de toelichting bij artikel 3.1 vierde lid Wro kan naar het oordeel van de Rechtbank worden afgeleid dat ook leges voor de toetsing van de bouwactiviteiten aan het Bouwbesluit, de bouwverordening en de redelijke eisen van welstand onder de legessanctie vallen. Daarbij merkt de Rechtbank op dat de ruime uitleg van artikel 3.1 vierde lid Wro beter past bij het doel van dat artikel, namelijk het inbouwen van een financiële prikkel om bestuursorganen aan te sporen hun actualiseringsplicht na te leven.

Opvallend is dat de Rechtbank daarentegen wel oordeelt dat de ‘activiteit slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument’ onvoldoende verband houdt met de legessanctie en dus buiten de reikwijdte van artikel 3.1 vierde lid Wro valt. De leges voor die activiteiten mogen volgens de Rechtbank dus wel in rekening worden gebracht.

Het Hof

De heffingsambtenaar gaat in hoger beroep bij het Hof. De vraag die in hoger beroep voorligt, beperkt zich tot de reikwijdte van artikel 3.1 lid 4 Wro ten aanzien van de leges voor de activiteit bouwen. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de omgevingsvergunningaanvraag – in ieder geval voor wat betreft de activiteit bouwen – moet worden gezien als één belastbare dienst. De leges voor de omgevingsvergunning dienen volgens het Hof in zijn geheel onder de legessanctie van artikel 3.1 vierde lid Wro te vallen. Het gaat, naar het oordeel van het Hof, immers om één en dezelfde omgevingsvergunning.

Het Hof oordeelt nog wel dat dit anders zou kunnen zijn indien de door de heffingsambtenaar genoemde, van de behandeling van de aanvraag deel uitmakende door of vanwege de gemeente verrichte werkzaamheden – te weten de toetsing van de bouwactiviteiten aan het Bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand – in de Verordening als afzonderlijke belastbare diensten waren aangewezen, doch daarvan is in casu geen sprake.

Het is afwachten of de Hoge Raad hier net zo over denkt. Vooralsnog lijkt het oordeel van het Hof munitie te bieden om artikel 3.1 vierde lid Wro ruim te interpreteren.