Op 1 januari 2017 zal de Wet natuurbescherming (“Wnb”) in werking treden. In een vorig blog beschreven wij al kort de drie verschillende beschermingsregimes die de Wnb kent. In dit blog gaan wij dieper in op het beschermingsregime voor vogels.

Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden

Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden:

  • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb);
  • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb);
  • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb);
  • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb);
  • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb);
  • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb); en
  • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb).

Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling.

Criteria voor ontheffing of vrijstelling

Gedeputeerde staten (“GS”) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen (artikel 3.3 en 3.4 Wnb). Provinciale staten (“PS”) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.3 en 3.4 Wnb). Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de “minister”) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels.

Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling (artikel 3.3 lid 5 Wnb).

Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling moet aan de cumulatieve criteria van artikel 3.3 lid 4 Wnb zijn voldaan. Dit betekent dat er:

  • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan,
  • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en
  • de ontheffing nodig in verband met één van de volgende zes gronden:
  • het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
  • het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
  • ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
  • ter bescherming van flora of fauna;
  • voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of
  • om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Veranderingen ten opzichte van de Flora- en faunawet

De formulering van de verboden in de artikelen 3.1 en 3.2 vloeit, anders dan in de Flora- en faunawet het geval was, rechtstreeks voort uit de Vogelrichtlijn. Dit heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat voor een aantal verboden – conform de Vogelrichtlijn – een opzetvereiste is opgenomen: zonder opzet is geen sprake van de overtreding van een verbod en is dus geen ontheffing meer nodig. Ook zal geen ontheffing of vrijstelling meer nodig zijn voor verstoringen van vogels die geen wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort hebben. Deze veranderingen zullen volgens de memorie van toelichting leiden tot minder lasten voor de praktijk en ruimte bieden voor menselijke activiteiten en economische ontwikkelingen, zonder afbreuk te doen aan een adequate natuurbescherming. Door het beschermingsregime aan te laten sluiten bij de Vogelrichtlijn wordt het systeem in ieder geval helderder, maar zoals altijd roepen wijzigingen ook nieuwe vragen op, zoals bijvoorbeeld wanneer nu sprake is van “opzet” of “wezenlijke invloed”. Op deze begrippen zullen wij daarom in een van de komende blogberichten nog nader ingaan.

Dit is een blog in de serie “De nieuwe Wet natuurbescherming”. Een overzicht van alle blogs in deze serie kunt u hier vinden.

Het bericht ‘Soortenbescherming: beschermingsregime voor vogels‘ is een bericht van Stibbeblog.nl.