In 2012 werd een advocaat veroordeeld voor verboden wapenbezit in Londen en kreeg hij een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf opgelegd. Een blogger plaatste een stuk over de veroordeling op zijn internetsite waarbij ook de naam en een foto van de advocaat werden gepubliceerd. Bij het opgeven van de volledige naam van de advocaat in Google Search werden verschillende zoekresultaten getoond die verwezen naar het strafrechtelijk verleden. In 2015 vond de advocaat het tijd om Google te verzoeken de betreffende zoekresultaten te verwijderen.

Zonder succes diende hij met behulp van een daartoe bestemd onlineformulier een verzoek om verwijdering van de zoekresultaten bij Google in. Ook een verzoek om bemiddeling werd door de Autoriteit Persoonsgegevens afgewezen, omdat de strafrechtelijke veroordeling volgens de Autoriteit van recente datum is en de berichtgeving daarover een publiek belang dient. Vervolgens is de advocaat een procedure gestart bij de Rechtbank Rotterdam.  

Recht om vergeten te worden

Het Europese Hof heeft in 2014 het recht om vergeten te worden geïntroduceerd (zie Costeja-arrest). Dit recht omvat onder omstandigheden het recht op verwijdering van zoekresultaten. Uit het arrest van het Hof kan onder meer worden afgeleid dat bij ieder verzoek om verwijdering een belangenafweging moet plaatsvinden tussen enerzijds de rechten van de betrokkene (recht op privacy en op bescherming van de persoonlijke levenssfeer) en anderzijds de grondrechten van de internetgebruikers en de exploitant van de zoekmachine (recht op informatie en vrijheid van meningsuiting). Hoewel het recht op privacy en het recht op vrijheid van meningsuiting in beginsel gelijkwaardige rechten zijn, moet er bij de belangenafweging rekening mee worden gehouden dat in bijzondere gevallen het evenwicht kan afhangen van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene.

Rechtbank Rotterdam wijst verwijderverzoek toe

De Rechtbank Rotterdam heeft de veroordeelde advocaat in het gelijk gesteld en heeft Google veroordeeld om de zoekresultaten te verwijderen (zie uitspraak). Het is opvallend dat er in Nederland nog niet eerder een verzoek om verwijdering door de rechter werd toegewezen. Verwijderverzoeken waar de Rechtbank Amsterdam eerder over oordeelde, werden niet toegewezen.

Strafrechtelijke persoonsgegevens

De Rechtbank Rotterdam wijst het verzoek toe op grond van het feit dat sprake is van  verwerking van een bijzondere categorie persoonsgegevens, zijnde strafrechtelijke persoonsgegevens. Verwerking van deze bijzondere categorie (gevoelige) persoonsgegevens is verboden op grond van artikel 16 Wbp, tenzij sprake is van een van de uitzonderingsgronden uit artikel 22 of 23 Wbp. De rechter was van oordeel dat het verzoek strafrechtelijke persoonsgegevens betrof en oordeelde dat het verzoek om verwijdering reeds hierom al toewijsbaar was. Het verweer van Google dat de zoekresultaten niet kwalificeerde als strafrechtelijke persoonsgegevens is door de rechter gepasseerd met de enkele opmerking dat het in dit geval ging om de inhoud van de bronpagina's naar welke de zoekresultaten verwijzen.

Gevolgen uitspraak

De uitspraak van de rechtbank heeft tot gevolg dat elk zoekresultaat dat verwijst naar strafrechtelijke persoonsgegevens in beginsel verwijderd moet worden indien geen uitzonderingsgrond bestaat. De rechtbank overweegt dat zij zich bewust is van dit vergaande praktische gevolg, maar acht de conclusie onvermijdelijk op grond van de wet.

Indien de zoekresultaten kwalificeren als strafrechtelijke persoonsgegevens geldt op grond van de wet inderdaad in beginsel een verbod op verwerking daarvan. De vraag is echter of de rechter op grond van het Costeja-arrest niet verplicht was om toch een belangenafweging te maken tussen enerzijds de rechten van de betrokkene en anderzijds de rechten van de zoekmachine.

Het verwerkingsverbod geldt overigens niet voor verwerking van zoekresultaten die (net) niet kwalificeren als strafrechtelijke persoonsgegevens. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het gaat om berichten waarin een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit wordt besproken. Ook uitingen waarin het gaat om maatschappelijk laakbaar gedrag dat niet strafbaar is gesteld in het Wetboek van Strafrecht of dat bijvoorbeeld is vastgesteld door de civielrechtelijke rechter gelden niet als strafrechtelijke persoonsgegevens. Het tonen van zoekresultaten over deze "normale" persoonsgegevens is in beginsel toegestaan, omdat een legitiem belang bestaat voor de zoekmachines om deze gegevens te verwerken.

Dat leidt tot het wellicht onbevredigende resultaat dat ik via Google niet kan achterhalen dat mijn schoonmaakster of hypotheekadviseur veroordeeld is voor grootschalige drugshandel, terwijl ik wel kan achterhalen dat mensen hen in het verleden (mogelijk vals) beschuldigde van vriendjespolitiek. De vraag is hoe deze uitwerking zich verhoudt tot het recht op vrijheid van meningsuiting die naar onze mening bestaat uit het recht van de zoekmachine om het publiek te kunnen bereiken en het recht van het publiek om van de zoekresultaten kennis te nemen.  

Aandacht voor maatschappelijke rol advocaat

Google voerde voor wat betreft de belangenafweging als bijzondere reden nog aan dat er rekening diende te worden gehouden met de rol die de advocaat (werkzaam bij een advocatenkantoor) in het openbare leven speelt. Het ging de rechtbank echter te ver om ervan uit te gaan dat iedere advocaat een zodanige maatschappelijke rol heeft dat het publiek steeds recht heeft om op de hoogte te zijn van de strafrechtelijke veroordeling van een advocaat. Dat kan anders zijn in het geval dat de veroordeling in relatie staat tot de  professionele werkzaamheden van de advocaat.