Op 3 juni 2015 heeft de Afdeling een interessante uitspraak gedaan over het buiten beschouwing laten van niet tijdig (binnen de beroepstermijn of de termijn zoals bedoeld in artikel 6:6 Awb) ingediende beroepsgronden tegen een niet eerder aangevochten onderdeel van een besluit waarbij veel belangen zijn betrokken. Dit met het oog op een goede procesorde en de rechtszekerheid van betrokkenen.

De casus

Een van de appellanten (hierna: “appellant”) geeft in zijn beroepschrift aan dat hij zich onder meer niet kan verenigen met het bestemmingsplan, omdat hij het niet eens is met de bouwregels van de bestemming “Natuur” voor zover deze zien op de toegestane hoogte van erfafscheidingen. Appellant dient tijdig zijn beroep in; dat wil zeggen vóór 18 april 2014, het einde van de beroepstermijn. Op 22 oktober 2014 dient appellant een nader stuk in. In het nadere stuk komt appellant wederom op tegen de planregels van de bestemming “Natuur”. Nu meent appellant dat de gemeenteraad ten onrechte niet heeft voorzien in recreatief gebruik van de gronden waarop de bestemming “Natuur” rust, waarmee een ander onderdeel van het plan wordt aangevochten.

Appellant heeft dus beroep ingesteld op twee momenten tegen twee besluitonderdelen; (i) in het beroepschrift tegen de bouwregels van de natuurbestemming en (ii) in het nader stuk tegen de gebruiksregels van de natuurbestemming. Hoewel het niet uit de uitspraak blijkt, nemen wij – gelet op artikel 6:13 Awb – aan dat appellant wel tegen beide onderdelen een zienswijze heeft ingediend. Als appellant dat niet heeft gedaan, dan kon de Afdeling immers volstaan met een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Afdeling laat buiten beschouwing wat appellant heeft aangedragen tegen de gebruiksregels van de bestemming “Natuur”. Volgens de Afdeling is sprake van een besluit waarbij veel uiteenlopende belangen zijn betrokken. Om twee redenen oordeelt de Afdeling dat appellant deze beroepsgrond te laat heeft aangedragen:

  1. Met het oog op de bewaking van de goede procesorde, de zorgvuldigheid en de doelmatigheid van de procedure, dit meer gespecificeerd gelet op:
    1. De omvang en complexiteit van het geschil;
    2. Het gegeven dat rechterlijk onderzoek aan termijnen is gebonden;
    3. Het open houden van de mogelijkheid tot het bevelen van een deskundigenonderzoek;
  2. Met het oog op de rechtszekerheid van andere betrokkenen in de procedure.

Het indienen van nieuwe gronden

Het indienen van nieuwe gronden tegen een reeds aangevochten of een niet eerder aangevochten besluitonderdeel zoals in deze zaak aan de orde, lijkt veel op de klassieke zaken over de gronden- en onderdelenfuiken. Toch zijn de situaties niet vergelijkbaar; bij een klassieke gronden- en onderdelenfuik gaat het om gronden die nieuw zijn ten opzichte van een vorige fase in het bestuurlijk proces, terwijl de uitspraak van 3 juni 2015 ziet op gronden die nieuw zijn binnen dezelfde fase van het proces. In dit geval binnen de fase van beroep tegen een vastgesteld bestemmingsplan.

Bespreking van het oordeel

Het oordeel dat de Afdeling in de hier opgenomen zaak laat zien, is in essentie niet nieuw. Zo gaf de Afdeling in 2011 al een vergelijkbaar oordeel (ABRvS 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6372). Naar het oordeel van de Afdeling moet binnen de beroepstermijn (of binnen de termijn voor het aanvullen van de gronden) vaststaan waartegen het beroep is gericht. De Afdeling motiveert dit oordeel gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting. Dat belang ligt ten grondslag aan artikel 6:13 van de Awb. Ten tweede is het niet verenigbaar met de rechtszekerheid van andere partijen, dat de omvang van het geding na afloop van de termijn wordt uitgebreid.

Hoewel het oordeel uit 2011 en de hier opgenomen uitspraak op elkaar lijken, vallen ons twee zaken op. Ten eerste dat de Afdeling in de hier opgenomen uitspraak haar oordeel uitgebreider motiveert. Ten tweede, en belangrijker, valt ons op dat de Afdeling haar oordeel van 3 juni 2015 nuanceert ten opzichte van het oordeel van 30 november 2011. Toegevoegd wordt namelijk het onderdeel ‘besluiten waarbij veel uiteenlopende belangen zijn betrokken, zoals een bestemmingsplan of andere besluiten op het gebied van het omgevingsrecht’. Hieruit zou men kunnen afleiden dat de bedoelde beperking van het aanvechten van nieuwe onderdelen mogelijk niet geldt voor ‘tweepartijenbesluiten’.

Wij stellen ons de situatie voor dat iemand die in een afgelegen buitengebied woont en een omgevingsvergunning voor het bouwen aanvraagt. De vergunning wordt geweigerd en uiteindelijk speelt de zaak in hoger beroep. Appellant procedeert in persoon en voert na afloop van de beroepstermijn twee gronden aan tegen een niet eerder aangevochten onderdeel uit de omgevingsvergunning betreffen. Als het bevoegd gezag voldoende tijd heeft om hierop te reageren, zien wij geen aanleiding voor het buiten beschouwing laten van deze gronden. Dat geldt ook voor tweepartijenzaken buiten de sfeer van het omgevingsrecht bijvoorbeeld die waarin louter financiële belangen aan de orde zijn. De hier opgenomen uitspraak biedt daarvoor mogelijk ruimte mits de goede procesorde niet in het geding komt.

Afsluiting

Het is ons echter niet volledig duidelijk of de Afdeling werkelijk heeft bedoeld om het aantal gevallen te beperken waarin gronden die zijn gericht tegen een niet eerder aangevochten besluitonderdeel buiten beschouwing worden gelaten.

Wij wachten met belangstelling nieuwe jurisprudentie over dit onderwerp af. Belangrijk is volgens ons in ieder geval dat men de opgenomen uitspraak van 3 juni 2015 niet leest als een nadere beperking van de mogelijkheden om nieuwe gronden in te dienen tegen wel reeds aangevochten besluitonderdelen. Die mogelijkheden blijven alleen begrensd door de goede procesorde. Uit de opgenomen uitspraak kunnen wij hoe dan ook afleiden dat het belangrijk blijft om – indien mogelijk – zo vroeg mogelijk op te komen tegen de besluitonderdelen waarmee men zich niet kan verenigen

Binnenkort verschijnt in de JG (Jurisprudentie voor Gemeenten) een noot van onze hand waarin wij uitvoeriger stilstaan bij de Afdelingsuitspraak, de betekenis daarvan voor het procederen in het bestuursrecht en enkele vragen die resteren na het lezen van de uitspraak.