Op 13 januari 2015 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EHRM’) een interessante uitspraak gedaan in de zaak Vékony t. Hongarije. In deze zaak oordeelt het EHRM dat een vergunning een eigendomsrecht vormt dat beschermd wordt door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EP EVRM’).

De zaak ging over de heer Vékony die sinds 1994 uitbater was van een kleine buurtsupermarkt waarin ook tabaksproducten werden verkocht. De verkoop van tabaksproducten vertegenwoordigde bij benadering 1/3 van de totale omzet van zijn zaak. Eind 2012 vaardigde het Hongaarse parlement een wet uit waarmee beoogd werd het roken onder de jeugd terug te dringen. Als gevolg van deze wet werden alle uitstaande tabaksverkoopvergunningen – naar wij aannemen van rechtswege – ingetrokken. Nieuwe verkoopvergunningen werden verleend door middel van een tenderprocedure. De vergunning van de heer Vékony werd ingetrokken en hij kreeg geen nieuwe vergunning. Nadat hij bij de nationale instanties nul op het rekest kreeg, procedeerde hij bij het EHRM. Het EHRM oordeelt dat sprake is van een schending van artikel 1 EP EVRM gelet op de ingrijpende gevolgen van de stelselwijziging en gelet op het gebrek aan (procedurele) waarborgen waarmee de stelselwijziging omkleed was.

Interessant is dat het EHRM oordeelt in overweging 29 van het arrest: “For the Court, it is hardly conceivable not to regard this licence […] as a ‘possession’ for the purposes of Article 1 of Protocol No. 1.” Het EHRM merkt dus de vergunning zelf aan als een ‘eigendomsrecht’ dat de bescherming van artikel 1 EP EVRM activeert. Dat de intrekking van een vergunning aangemerkt kan worden als een inbreuk op een eigendomsrecht dat door artikel 1 EP EVRM beschermd wordt, is niet nieuw. In 1989 oordeelde het EHRM in Tre Traktörer Aktiebolag t. Zweden al dat het intrekken van een vergunning – in dat geval: een vergunning voor het schenken van alcohol – de bescherming van artikel 1 EP EVRM kan activeren.

Wat deze zaak interessant maakt is dat volgens de jurisprudentie het EHRM tot dusverre de vergunning op zichzelf niet als een eigendomsrecht aanvaardt.  Wil een particulier een beroep kunnen doen op de bescherming van artikel 1 EP EVRM, dan moet er sprake zijn van een inbreuk op een ‘eigendomsrecht’. In Tre Traktörer Aktiebolag t. Zweden (en in latere jurisprudentie) beschouwde het EHRM de ingetrokken vergunning als zodanig niet als een eigendomsrecht. Het EHRM oordeelde dat de intrekking van de alcoholvergunning door de Zweedse overheid inbreuk maakte op ‘de economische belangen’ (economic interests) verband houdende met het drijven van een restaurant. Het waren zodoende de economische belangen (en niet de vergunning zelf) die door het EHRM werden aangemerkt als ‘eigendom’ in de zin van artikel 1 EP EVRM.

Of sprake is van een breuk met de bestaande jurisprudentie moet worden afgewacht. Indien het EHRM met Vékony t. Hongarije wilde breken met zijn eerdere jurisprudentielijn, had het in de rede gelegen dat het EHRM de inbreuk zou toetsen aan regels met betrekking tot de ‘ontneming’ van eigendom. In overweging 35 van het arrest doet het EHRM dat uitdrukkelijk niet en blijft het de intrekking van een vergunning toetsen aan de regels die gelden met betrekking tot de ‘regulering’ van eigendom. Het is niettemin interessant om de jurisprudentie van het EHRM op dit punt in de gaten te blijven houden.