Op van 15 september 2015 heeft het Hof van Cassatie een arrest geveld (nr. P.14.1189.N/10) waarmee het Hof een arrest van het Hof van Beroep te Gent bevestigt, waarin een architect strafrechtelijk aansprakelijk wordt gehouden voor deelname aan een stedenbouwkundig misdrijf. Het Hof van Beroep van Gent had een architect als mededader beschouwd van een stedenbouwkundige inbreuk, door zich niet voldoende te kwijten van zijn wettelijk opgelegde toezichtstaak op de werken, en de bouwheer niet te wijzen op het feit dat er een stedenbouwkundige inbreuk werd gepleegd door de niet-conforme uitoefening van een stedenbouwkundige vergunning. Het Hof achtte de passieve houding van de architect als voldoende om hem mee strafrechtelijk aansprakelijk te houden.

Feiten

De betrokken architect had, conform zijn opdracht, plannen getekend voor het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor vier eengezinswoningen. De architectenovereenkomst tussen de architect en de bouwheer omvatte uiteraard ook het wettelijke verplichte toezicht op de uitvoering van de werken. De stedenbouwkundige vergunning werd effectief afgeleverd, maar werd niet conform uitgevoerd, omdat niet alle verplicht te plaatsen hemelwaterputten werden geplaatst.

Bij zowel de voorlopige als definitieve oplevering zijn alle partijen, incl. de architect aanwezig. Bij geen van beide opleveringen maakte de architect echter melding van het ontbreken van de nochtans verplicht te plaatsen hemelwaterputten en van het nog moeten uitvoeren van deze werkzaamheden. De naleving van de stedenbouwkundige verplichting om te voorzien in hemelwaterputten, rust volgens het Hof van Beroep nochtans ook op de architect, die toezicht had op de uitvoering van de werken.

Juridisch

Het Hof van Beroep van Gent is van mening dat de architect de bouwheer had moeten wijzen op de stedenbouwkundige verplichting en hem zo nodig zelfs in gebreke had moeten stellen, wat hij op geen enkel ogenblik heeft gedaan. Het Hof stelt vast dat uit niets blijkt dat de architect op enig ogenblik specifiek controle heeft uitgeoefend op het al dan niet plaatsen van de voorziene hemelwaterputten, hoewel hij zulks gemakkelijk had kunnen (en moeten) doen omdat dit deel uitmaakte van zijn opdracht. In plaats van de samenwerking met de bouwheer op te schorten, omdat de opgelegde voorwaarden van de stedenbouwkundige vergunning niet werden nageleefd, liet de architect de bouwheer echter ongemoeid zijn gang gaan en werkte mee met de oplevering van de werken.

Op grond van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (artikel 6.1.1) is er een strafrechtelijke bestraffing van inbreuken op de (voorwaarden van de) stedenbouwkundige vergunning. Artikel 66 van het Strafwetboek stelt daarnaast deelneming aan een misdaad of wanbedrijf strafbaar, en bepaalt dat er deelneming aan een misdaad is “wanneer de beklaagde de misdaad of het wanbedrijf heeft uitgevoerd, aan de uitvoering ervan rechtstreeks heeft meegewerkt, of door enige daad tot uitvoering zodanige hulp heeft verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd”.

De betrokken architect voerde tevergeefs aan dat zijn handelen ‘door passief te blijven en niets te doen’ niet kan worden gekwalificeerd als deelneming, omdat hij geen actieve daad stelde of geen actieve uitvoering verleende aan het misdrijf. Volgens het Hof van Cassatie heeft het Hof van Beroep te Gent terecht geoordeeld dat de architect zich wel degelijk schuldig had gemaakt aan een strafbare deelneming door de niet-conforme uitvoering van de vergunning te gedogen, geen actie te ondernemen tegen de bouwheer, en mee te werken aan de oplevering van het gebouw, omdat dit ingaat tegen de controleverplichtingen van de architect.

Volgens het Hof heeft de architect zijn handelen niet beperkt tot stilzitten, maar was zijn verzuim om te handelen bewust en opzettelijk, en heeft hij door zijn schuldig verzuim zodanige hulp verleend bij de uitvoering van het misdrijf dat het zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd.

Implicaties voor de praktijk

Door dit arrest kan de architect zich gesteund zien om, indien hij/zij kennis heeft van inbreuken op de stedenbouwkundige vergunning, hier niet aan mee te werken, de bouwheer er schriftelijk op te wijzen, en geen medewerking te verlenen in dergelijke gevallen aan de voorlopige en definitieve oplevering. Daarnaast verscherpt het arrest ook in belangrijke mate de wettelijke controlebevoegdheid van de architect.

Een bijkomende implicatie kan zijn dat een verzekering ‘beroepsaansprakelijkheid’ geen dekking biedt voor schadegevallen die ontstaan zijn uit strafrechtelijke inbreuken en u als architect mogelijk persoonlijk moet opdraaien voor de kosten die een veroordeling met zich meebrengt.

Alertheid is dus zeker aan de orde.