Eerder dit jaar schreven wij al over het wetsvoorstel verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Inmiddels zijn er weer een aantal nieuwe ontwikkelingen te melden:

  1. Het gewijzigd voorstel van wet is aangenomen door de Tweede Kamer en wordt behandeld in de Eerste Kamer;
  2. De wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in verband met het wetsvoorstel VTH heeft online gestaan ten behoeve van internetconsultatie;
  3. VNG en IPO hebben gezamenlijk een modelverordening opgesteld over kwaliteit voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving; en
  4. Door een wijziging van het Bor gaat het bevoegd gezag voor alle Brzo bedrijven en RIE-4 installaties (chemische industrie) per 1 januari 2016 over naar gedeputeerde staten van de provincies. Voor inrichtingen met IPPC-installaties (niet RIE-4 installaties) blijft gelden dat bijlage I, onderdeel C, van het Bor bepalend is voor de vraag of B&W of gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn.

Waar gaat de aankomende wetswijziging VTH ook alweer over?

Het is wetsvoorstel VTH is de uitvoering van de “package deal” die het Rijk, IPO en de VNG in juni 2009 hebben gesloten. De aankomende wetgeving ziet onder meer op:

  • De vorming van een landelijk netwerk van regionale uitvoeringsdiensten/omgevingsdiensten;
  • Het verbeteren van de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken; en
  • De verbetering van de samenwerking en informatie-uitwisseling bij de handhaving in de bestuurlijke kolom enerzijds en tussen de bestuurlijke en strafrechtelijke kolom anderzijds.

Naast de wijzigingen van de Wabo (en andere milieuregelingen op het niveau van formele wet), wordt ook het Bor gewijzigd. Omdat wij in ons vorige blog al in zijn gegaan op de wijziging van de formele wetgeving zullen wij in dit blog met name ingaan op de wijziging van het Bor.

Wat gaat het gewijzigde Bor inzake VTH regelen?

Het toepassingsbereik van hoofdstuk 7 van het Bor wordt uitgebreid met het basistakenpakket, de procescriteria voor uitvoering en het digitaal uitwisselen van inspectiegegevens via een beveiligde website.

Concreet gaat het over:

  1. De basistaken die in een regionaal samenwerkingsverband worden uitgevoerd door omgevingsdiensten: het basistakenpakket (waaronder vergunningverlening, toezicht en handhaving);
  2. De aanwijzing van omgevingsdiensten voor basistaken die een bijzondere deskundigheid vereisen: de zwaardere industrie (BRZO-inrichtingen en inrichtingen met RIE-4 installaties);
  3. De werkprocessen die nodig zijn voor de totstandkoming van een kwalitatief goede uitvoering en handhaving;
  4. Het aanwijzen van bestuursorganen en instanties die bevoegd zijn uit eigen beweging en desgevraagd verplicht gegevens (aan elkaar) beschikbaar te stellen;
  5. De gevallen waarin in ieder geval is voldaan aan de verplichting tot het uitwisselen van gegevens en de wijzen waarop gegevens toegankelijk moeten worden gemaakt.

Bevoegd gezag

In artikel 7.2 in samenhang met bijlage IV van het Bor staat opgenomen voor welke categorieën inrichtingen en activiteiten de omgevingsdienst de uitvoerende instantie wordt. Daaruit blijkt dat de omgevingsdiensten onder andere belast worden met de vergunningverlening, het toezicht op en de handhaving van:

  • Vergunningplichtige inrichtingen waarvoor het college van gedeputeerde staten van een provincie bevoegd gezag is (categorie 1);
  • Vergunningplichtige inrichtingen, waarvoor het college van B&W van een gemeente bevoegd gezag is (categorie 3);

Kortom, de omgevingsdiensten worden voor de activiteit milieu de uitvoerende instantie voor alle vergunningplichtige inrichtingen. Overigens nemen de omgevingsdiensten in de praktijk vaak al deze taken op zich.

In combinatie met het voornemen om te verplichten dat de bevoegdheden aan de omgevingsdiensten gemandateerd worden (en niet gedelegeerd mogen worden), betekent dit dat de invloed van B&W respectievelijk gedeputeerde staten fors minder wordt.

Omdat de omgevingsdiensten dus in ieder geval met betrekking tot de gehele zwaardere industrie worden belast met de uitvoering van de milieuregelgeving was het wat ons betreft niet noodzakelijk om per 1 januari 2016 ook nog te regelen dat GS voor deze inrichtingen bevoegd gezag worden. Ongeacht de vraag of GS of B&W bevoegd is, zouden de omgevingsdiensten met de voorgestelde wijziging van het Bor namelijk belast worden met de uitvoering. Dit leidt er volgens ons toe dat daarmee voldoende geborgd zou moeten zijn dat de expertise gebundeld is. Binnen een omgevingsdienst zal namelijk de ene keer een zaak worden voorbereid met de gemeentelijke pet op en een andere keer met de provinciale pet op. Voor de kwaliteit van de uitvoering zal dit niet (mogen) uitmaken.

Kortom, met de hierboven opgenomen voorgenomen wetswijzigingen wordt door de bundeling van expertise de kwaliteit voor milieuzaken nader geborgd. De aanpassing van het bevoegd gezag voor Brzo- en RIE-4 inrichtingen om die reden (wat ons betreft) strikt genomen niet noodzakelijk, aangezien de uitvoering al bij de omgevingsdiensten zou komen te liggen.