Voor de verkoper van aandelen in een vennootschap bestaat het risico dat hij na de verkoop door de Belastingdienst aansprakelijk wordt gesteld voor de verschuldigde vennootschapsbelasting van de door hem verkochte vennootschap. 

De huidige aansprakelijkheidsregeling geeft een extra aanleiding aan een verkoper om bij een eventuele verkoop van aandelen een grondig en gedegen onderzoek naar de koper en zijn intenties te doen. 

Aansprakelijkheid ex-aandeelhouders

Ter bestrijding van de verkoop van kasgeldvennootschappen (met een latente belastingschuld) aan katvangers die de vennootschap na de verkrijging leeghaalden zodat geen middelen resteerde om de belastingschuld te voldoen, is in artikel 40 Invorderingswet 1990 (hierna: ‘IW’) een bijzondere aansprakelijkheid voor ex-aandeelhouders geregeld. Onder voorwaarden kan de ex-aandeelhouder aansprakelijk worden gesteld voor de verschuldigde vennootschapsbelasting (hierna: ‘VPB’) voor de door hem (indirect) verkochte vennootschap. 

Tot Prinsjesdag 2016 (20 september 2015) bestond onzekerheid over de vraag of een verkopende vennootschap aansprakelijk kon worden gesteld. In tegenstelling tot de bedoeling van de wetgever, leek de wettekst te suggereren dat alleen verkopende natuurlijke personen aansprakelijk konden worden gesteld. Om aan deze onzekerheid een einde te maken is thans in de wettekst expliciet opgenomen dat ook een verkopende vennootschap, eventueel gezamenlijk met verbonden vennootschappen, aansprakelijk kan worden gesteld voor de verschuldigde VPB van de door hem verkochte vennootschap.

Als gevolg hiervan kunnen een natuurlijk persoon en een vennootschap naast elkaar aansprakelijk worden gesteld voor de verschuldigde VPB van een verkochte vennootschap. Voor de aansprakelijkheidstelling is verder wel vereist dat: 

  1. de bezittingen van de vennootschap op het moment van vervreemding in belangrijke mate (minstens 30%) bestaan uit beleggingen (waarbij liquide middelen tot de beleggingen worden gerekend); en
  2. het vermogen van de vennootschap moet anders dan door normale bedrijfsvoering in de vijf voorafgaande jaren van vervreemding, het jaar van vervreemding, of in de drie opvolgende jaren, zijn verminderd.

Voorbeelden van ‘abnormale’ bedrijfsvoering zijn het bedingen van buitensporige beloningen, verkoop van belangrijke activa, het opnemen van gelden zonder dat terugbetaald wordt of voldoende zekerheid tot terugbetaling bestaat.

Hoogte aansprakelijkheidstelling

Als aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, kan de verkoper aansprakelijk worden gesteld voor de verschuldigde VPB in het jaar van de vervreemding (ongeacht de oorsprong van de fiscale winst) alsmede de drie opvolgende boekjaren in verband met de op het moment van de vervreemding aanwezige stille en fiscale reserves.

Indien de verkoper geen (in)direct belang van 100% in de verkochte vennootschap had, wordt zijn aansprakelijkheid evenredig beperkt. De aansprakelijkheid kan ook gelden voor de verschuldigde VPB van vennootschappen waarin de verkochte vennootschap participeert, zoals dochtervennootschappen. 

Zekerheidstelling

Degene die op basis van bovengenoemde regeling in principe aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voor zover zekerheid is gesteld voor de verschuldigde VPB ten behoeve van de Belastingdienst. Deze zekerheidsstelling moet wel van reële betekenis zijn en voldoende waarde hebben. 

Zekerheidsstelling kan geschieden door bijvoorbeeld een deel van de koopsom te deponeren op een derdenrekening van de notaris. Zekerheid kan ook worden geboden in de vorm van een bankgarantie, een hypotheek of verpanding. 

Disculpatiemogelijkheid

Tot Prinsjesdag 2016 kon degene die op grond van artikel 40 IW aansprakelijk was gesteld, zich disculperen van de aansprakelijkheid indien hij er in slaagde te bewijzen dat het niet aan hem te wijten is dat het vermogen ontoereikend is voor het voldoen van de verschuldigde VPB. 

Vanaf Prinsjesdag 2016 is de disculpatiemogelijkheid echter een stuk beperkter geworden. Disculpatie is nog slechts mogelijk ter zake van de verschuldigde VPB wegens de vrijval van een egalisatiereserve of een stille reserve die betrekking heeft op roerende zaken, onroerende zaken of vermogensrechten die ten minste zes maanden na de aandeelhouderswisseling zijn vervreemd.

Een verkoper kan zich niet langer disculperen voor bijvoorbeeld de verschuldigde VPB ter zake van een op het tijdstip van de aandelenoverdracht aanwezige herinvesteringsreserve of een (stille) reserve die samenhangt met activa die binnen zes maanden na de aandelenoverdracht worden vervreemd. 

Voor de praktijk

Zoals uit bovenstaande blijkt, geeft de huidige aansprakelijkheidsregeling een duidelijke aanleiding aan een verkoper om een grondig en gedegen onderzoek naar de koper en zijn intenties te doen. In essentie moet de verkoper nagaan of de koper niet voornemens is om de vennootschap binnen korte tijd na aankoop leeg te halen om op deze wijze de betaling van belastingschulden onmogelijk te maken. 

Wanneer de verkoper van aandelen zich wil beschermen tegen een aansprakelijkheidstelling voor de verschuldigde VPB van de verkochte vennootschap (en de dochtermaatschappijen) kan dit door middel van (liefst cumulatief):  

  1. het stellen van zekerheid ten behoeve van de Belastingdienst voor de verschuldigde VPB;
  2. van de koper garanties/vrijwaringen/zekerheden verlangen ten aanzien van de verschuldigde VPB;
  3. zorgen dat het eigen vermogen ten tijde van de verkoop voldoende is om de verschuldigde VPB te betalen;
  4. een bedrag ter grootte van de verschuldigde VPB op een derdenrekening bij de notaris te storten; 
  5. nagaan en door de accountant van de koper laten verklaren dat de koper een bonafide partij is; en
  6. rondom de verkoop informatie en/of zekerheidstelling naar de Belastingdienst sturen.