Bij de verkoop van een bedrijfsterrein met daaronder bodemverontreiniging is de regel dat de verkopende eigenaar (of erfpachter) mede verantwoordelijk blijft voor de sanering van de gronden (zie artikel 55b lid 3 Wet bodembescherming). De verkoper komt van deze verantwoordelijkheid pas af, op het moment dat de koper – de opvolgende eigenaar – een financiële zekerheid stelt voor de saneringskosten en het bevoegd gezag daarmee instemt. Met dit alles is de kust voor de verkoper echter nog niet veilig. Een besluit tot instemming kan onder bepaalde omstandigheden namelijk weer worden ingetrokken. Dat blijkt uit de uitspraak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 9 maar jl. (ECLI:NL:RVS:2016:621).

Voorwaarden voor het intrekken van instemming

De Wet bodembescherming kent geen wettelijke bevoegdheid om een besluit tot instemming in te trekken. Toch neemt de Afdeling zo’n bevoegdheid aan. Vervolgens beoordeelt zij of het besluit terecht is ingetrokken. Uit de overwegingen volgt dat daarbij twee elementen van belang zijn, te weten:

  1. of er een verontreiniging bestaat waarvoor een saneringsverplichting bestaat, en;
  2. of de opvolgende eigenaar over voldoende financiële middelen beschikt om de saneringsverplichting te verwezenlijkgen.

Wanneer een van de twee elementen wegvalt, vervalt de toepasselijkheid van artikel 55b lid 3 Wet bodembescherming. Daarmee wordt de voormalige eigenaar wederom verantwoordelijk gehouden voor de sanering van de percelen.

Oplettendheid vereist bij (verkoop met) een financiële zekerheid

De uitspraak van de Afdeling maakt duidelijk dat een besluit tot instemming kan worden ingetrokken wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de financiële zekerheid. Dat legt verantwoordelijkheid voor de sanering van de percelen terug bij de verkopende partij.

De uitspraak leidt ook tot vragen en onzekerheden. Zo geeft de uitspraak niet aan tot welk tijdstip het bevoegd gezag een besluit mag intrekken en evenmin, welke omstandigheden zich zouden kunnen verzetten tegen een intrekking. Dit kan voor de verkopende partij vooral tot onzekerheden leiden: op het moment dat de kopende partij niet meer beschikt over de financiële middelen voor sanering, kan de sanering dus onbedoeld bij de verkopende partij terugkomen.

Voor de verkoper van een bedrijfsterrein waarbij door de koper een financiële zekerheid wordt gesteld is deze uitspraak van belang, omdat hiermee de kous nog niet af is. Onder omstandigheden kan de verkoper een lange tijd na de verkoop nog geconfronteerd worden met een saneringsverplichting.

Naast de verkopende partij is de uitspraak ook van belang voor het bevoegd gezag. De uitspraak maakt immers duidelijk dat een reeds gegeven besluit tot instemming kan worden ingetrokken wanneer een de uitvoering van de verplichte sanering in gevaar dreig te komen.