Een aandeelhouder ziet door een faillissement de waarde van de in een vennootschap gehouden aandelen verdampen. Soms maakt de aandeelhouder een derde het verwijt dat deze verantwoordelijk is voor het faillissement en de daardoor voor de aandeelhouder ingetreden schade. Kan die aandeelhouder zijn schade op de derde verhalen? Deze vraag kwam aan de orde in het faillissement van reisorganisatie OAD. De rechtbank Midden-Nederland deed recent uitspraak in een door de aandeelhouder tegen de bank aanhangig gemaakte procedure.

Haakte de bank af terwijl het schip bijna in de haven was?

De feiten: Het OAD-concern (hierna: “OAD”) verkeerde in zwaar weer. De afdeling bijzonder beheer van de bank had OAD medegedeeld dat zij het continueren van de bancaire relatie met OAD enkel verantwoord achtte indien OAD zorg zou dragen voor een adequate kapitaalversterking. Uiteindelijk werd OAD - na kredietopzegging van de bank - eind september 2013 in staat van faillissement verklaard.

De aandeelhouder van OAD stelt een vordering tegen de bank in ter hoogte van de waardevermindering van de door haar in OAD gehouden aandelen. De aandeelhouder verwijt de bank dat zij door het op onregelmatige wijze opzeggen van de kredietovereenkomst het faillissement van OAD heeft veroorzaakt, en daarmee het waardeloos worden van de in OAD gehouden aandelen.

De aandeelhouder is van mening dat er sprake is geweest van schending van een specifieke zorgvuldigheidsverplichting door de bank jegens haar. De bank zou op onjuiste gronden kapitaalversterking hebben verlangd. De bank zou ook bij de aandeelhouder de verwachting hebben gewekt dat, indien deze kapitaalversterking gerealiseerd zou worden, het aan OAD verleende krediet gecontinueerd zou worden. Uiteindelijk heeft de bank volgens de aandeelhouder het krediet toch niet ter beschikking gesteld op het moment dat kapitaalversterking daadwerkelijk zou worden gerealiseerd.

Poot/ABP-arrest en afgeleide schade

De OAD-zaak is niet de eerste zaak waarin een aandeelhouder schade als gevolg van de waardedaling van aandelen tracht te verhalen op een derde. De rechtbank kan dan ook voor de beoordeling van de vordering verwijzen naar jurisprudentie, beginnend bij het Poot/ABP-arrest, waaruit de rechtsnorm blijkt om als aandeelhouder een vordering tegens een derde geldend te kunnen maken.  

Hieruit blijkt dat een vordering op een derde wegens vermindering van de waarde van de aandelen in een vennootschap ten gevolge van het niet nakomen van contractuele verplichtingen of onrechtmatig handelen van die derde jegens de vennootschap (zogenaamde “afgeleide schade”), in beginsel alleen door de vennootschap zelf kan worden ingesteld, en niet door de aandeelhouders. De Hoge Raad heeft het alleen mogelijk geacht voor een aandeelhouder om afgeleide schade te vorderen, indien de schade het gevolg is van schending door een derde van een jegens de aandeelhouder geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting.

Bank heeft jegens de aandeelhouder geen specifieke zorgvuldigheidsverplichting geschonden

De kernvraag is volgens de rechtbank aan wie de bank de eisen aan voortzetten van de kredietrelatie met OAD (waaronder kapitaalversterking) heeft gesteld. Indien de bank deze eisen niet aan de aandeelhouder heeft gesteld, maar aan OAD zelf, kan immers niet worden geoordeeld dat de bank verwachtingen heeft gewekt bij de aandeelhouder, en dus ook niet dat de bank heeft gehandeld in strijd met die gewekte verwachtingen. Van het schenden van een specifieke zorgvuldigheidsverplichting richting de aandeelhouder is dan geen sprake.

De rechtbank beoordeelde welke partijen met elkaar hebben gecommuniceerd in het kader van de door de bank verlangde kapitaalversterking. De rechtbank komt tot de conclusie dat met OAD is gecommuniceerd en niet met de aandeelhouder. Omdat de bank de eisen aan het voortzetten van de kredietrelatie met OAD heeft gesteld aan OAD zelf, betekent dit volgens de rechtbank dat de bank bij de aandeelhouder geen verwachting heeft kunnen wekken over de gevolgen van een geslaagde kapitaalversterking. De bank heeft jegens de aandeelhouder dan ook geen specifieke zorgvuldigheidsverplichting geschonden. Er bestaat dan ook geen reden om de vordering tot vergoeding van schade toe te wijzen.

Vordering van OAD zelf op de bank?

De rechtbank is niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de handelwijze van de bank jegens OAD. De rechtbank overwoog dat een vordering dan rechtstreeks door (de curatoren van) OAD had moeten worden ingesteld en daar is geen sprake van. De rechtbank stelt vast dat de aandeelhouder en niet OAD zelf de betreffende vordering heeft ingesteld.

Slotsom

Bij de beoordeling van een vordering van een aandeelhouder jegens een derde in verband met een waardedaling van aandelen in verband met een tekortkoming of onrechtmatig handelen jegens de vennootschap, blijft de kernvraag of er een zorgvuldigheidsverplichting richting de aandeelhouder is geschonden. Als er een aanknoping bestaat dat er rechtstreeks bepaalde verwachtingen ten gunste van de aandeelhouder zijn gewekt door bijvoorbeeld een bank, zal er eerder kans bestaan op het succesvol instellen van een vordering door de aandeelhouder.

In de praktijk is het dus van belang dat degene die een mededeling doet, zich goed beseft aan wie zij de mededeling richt. Vervolgens dient diegene die reageert op de mededeling zich eveneens goed te beseffen in welke hoedanigheid (bestuurder, aandeelhouder of beide) zij reageert op de mededeling.