Het is gebruikelijk in overeenkomsten verplichtingen op te nemen die samenhangen met een registergoed en die ook voor opvolgende verkrijgers moeten gelden. Te denken valt aan bijvoorbeeld voorkeursrechten tot koop, optierechten of non-speculatiebedingen. Veel gebruikt hiervoor is het kettingbeding dat de verkrijger moet accepteren wil deze uiteindelijk aan de verplichting gebonden zijn. Normaal gesproken wordt deze opgenomen in de notariële akte van levering om zo de werking van deze verbintenisrechtelijke verplichting te versterken.

De notaris zal erop toezien dat de verkrijger de verplichtingen accepteert en anders zijn medewerking weigeren aan de levering. Doet de notaris dit niet, dan is deze volgens vaste rechtspraak tuchtrechtelijk aansprakelijk.

Met zijn arrest van 3 april 2015 kan de Hoge Raad wel eens een einde hebben gemaakt aan deze gangbare praktijk. De notaris moet in principe gewoon zijn dienst verlenen, aldus de Hoge Raad, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld dat één partij een sterker recht heeft op grond van de wet (art. 7:3 of 3:298) of dat meewerken waarschijnlijk een onrechtmatige daad oplevert.

Of dat laatste het geval is, moet de notaris marginaal onderzoeken. Hij mag overigens geen contact opnemen met degene in wiens belang de verplichting is opgenomen; zijn geheimhouding staat hieraan in de weg.

Met dit arrest is de aanzet gegeven tot een grotere afstand tussen verplichtingen die voortvloeien uit ‘gewone’ overeenkomsten en diegene die zijn vastgelegd, bijvoorbeeld in kwalitatieve verplichtingen of erfdienstbaarheden. Een goed besef van het verschil in rechtskracht is dus van groot belang.