Vandaag heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’) een belangrijke uitspraak gedaan over de positie van de concurrent-aanvrager bij de verdeling van subsidies. De Afdeling is van oordeel dat het vanuit een oogpunt van effectieve rechtsbescherming van belang is dat een subsidie-aanvrager die een aanvraag heeft ingediend die op zichzelf positief wordt beoordeeld, maar niet wordt gehonoreerd omdat deze te laag is geplaatst in de rangorde en het subsidieplafond is bereikt, zich niet alleen moet kunnen verdedigen tegen de beoordeling van de eigen aanvraag maar ook tegen de rangorde als zodanig en de totstandkoming daarvan.

Deze uitspraak heeft de Afdeling gedaan naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Deze uitspraak annoteerde ik voor de AB. Tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland was hoger beroep ingesteld. De rechtbank Midden-Nederland had – kort gezegd – geoordeeld dat een concurrent-aanvrager belanghebbende is bij de verlening van subsidie aan anderen, omdat zij concurreren om dezelfde subsidiepot, de concurrent-aanvrager ook procesbelang heeft bij de beoordeling van de andere aanvrager en dus ook over de stukken moet beschikken van de concurrent-aanvragers.

De Afdeling herhaalt voor wat betreft het belanghebbende begrip dat alleen een derde op grond van zijn concurrentiepositie als belanghebbende bij een besluit tot subsidieverlening wordt aangemerkt indien de subsidie strekt tot ondersteuning van bedrijfsactiviteiten, uit te voeren binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als waarbinnen de derde werkzaam is. Het feit dat aanspraak wordt gemaakt op dezelfde subsidiegelden, betekent nog niet dat diegene belanghebbende is.

De omvang van het begrip belanghebbende was relevant voor de vraag of een concurrent-aanvrager gehouden is rechtsmiddelen aan te wenden tegen degenen die wel subsidie hadden gekregen. Die vraag is niet meer relevant omdat het volgens de Afdeling ook niet nodig is dat een concurrent-aanvrager rechtsmiddelen aanwendt tegen de subsidieverlening van de anderen. De reden daarvoor is dat ingevolge artikel 3:46 Awb het besluit waarbij de eigen aanvraag is afgewezen dient te berusten op een deugdelijke motivering. Dit houdt in dat, naast inzicht in de beoordeling van de eigen aanvraag, tevens inzicht moet worden verschaft in de totstandkoming van de rangschikking van de aanvragen. Omdat de rangorde mede wordt bepaald door de beoordeling van andere aanvragen, betekent dit dat de motivering van de afwijzing van de eigen aanvraag ook inzicht moet verschaffen in de beoordelingen van de aanvragen die hoger in de rangorde zijn geëindigd. Dat betekent dat in een procedure tegen de afwijzing van de eigen aanvraag ook de beoordeling van hoger geëindigde aanvragen aan de orde kan worden gesteld.

Dit is een belangrijke overweging. Voor degenen die subsidie hebben ontvangen betekent het dat zij niet bevreesd behoeven te zijn dat een teleurgestelde aanvrager tegen de verleningsbesluiten opkomt. Ook voor degene wiens subsidie is geweigerd is dat belangrijk. Deze behoeft in principe alleen bezwaar te maken tegen zijn eigen afwijzing.

De Afdeling verduidelijkt verder dat als de motivering omtrent de rangorde niet duidelijk is het subsidieplafond noch de formele rechtskracht van de verleningsbeschikkingen aan de derden kan worden tegengeworpen aan degene wiens subsidie is geweigerd. Een redelijke uitleg van artikel 4:25, lid 2 en 3, Awb brengt met zich dat aan degene die bezwaar maakt of beroep instelt tegen een besluit waarbij de eigen aanvraag is afgewezen wegens het bereiken van het subsidieplafond, evenmin wordt tegengeworpen dat de besluiten tot subsidieverlening aan anderen die ertoe hebben geleid dat het subsidieplafond was bereikt op het tijdstip waarop de beslissing in eerste aanleg werd genomen, in rechte onaantastbaar zijn geworden.

Dan resteert de vraag over welke stukken degene die bezwaar maakt tegen zijn afwijzing mag beschikken. De Afdeling oordeelt hieromtrent dat  zoveel als mogelijk inzage moet worden verkregen in de stukken die betrekking hebben op de hoger in de rangorde geëindigde aanvragen, voor zover die stukken nodig zijn om de beoordelingen van de hoger in de rangorde geëindigde aanvragen te kunnen controleren. Deze stukken moeten derhalve worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb die, behoudens de in het zesde lid genoemde uitzondering, ter inzage moeten worden gelegd.

Belangrijke lessen voor de praktijk, bij het verlenen van subsidies waarbij een rangorde wordt gehanteerd, als gevolg van deze uitspraak zijn:

Voor de subsidieverstrekker

  1. De beschikking waarbij de subsidie wordt afgewezen dient een motivering bevatten van de onderlinge rangschikking van de aanvragen. Een tip voor het bestuursorgaan is om de onderlinge rangorde van alle aanvragen in een document te zetten, dat als bijlage bij de motivering wordt verstrekt. Zo wordt in een keer inzichtelijk wat de onderlinge rangorde is.
  2. Vraag bij de aanvraag aan alle subsidie-aanvragers om te vermelden welke informatie als vertrouwelijk moet worden aangemerkt. In geval van een bezwaarschriftprocedure moeten sommige stukken immers worden overgelegd.
  3. Maak gebruik van standaard beoordelingsformulieren. Richt deze zo in dat zij geschikt zijn om ter inzage te leggen in het geval een bezwaarschrift wordt ingediend.
  4. Houdt er rekening mee dat bij gegronde bezwaren of beroepen het subsidieplafond wordt doorbroken. Dat kan leiden tot extra uitgaven. De motivering van de afwijzingsbeschikking moet dus goed zijn. Een andere optie is om een potje te reserveren voor gegronde bezwaren of beroepen.

Voor degene wiens subsidie is geweigerd

  1. Ga na of de afwijzingsbeschikking een voldoende motivering bevat van de onderliggende rangschikking van de aanvragen.
  2. Is de motivering niet voldoende, dien dan een bezwaarschrift in tegen de afwijzing. De subsidieverstrekker is gehouden stukken ter inzage te leggen waaruit de beoordeling van de rangorde blijkt.
  3. Een bezwaarschrift indienen tegen degenen die wel subsidie hebben gekregen is in principe niet meer nodig.