Op 11 mei 2016 is een belangrijke uitspraak gewezen voor het punitieve sanctierecht. De Afdeling heeft in die uitspraak ambtshalve bepaald dat het bestuursorgaan onvoldoende had aangetoond dat sprake was van een overtreding, ondanks dat partijen ervan uit waren gegaan dat de overtreding was begaan. Het gevolg: de boete gaat onderuit.

Achtergrond uitspraak

In hoger beroep bij de Afdeling stond de vraag ter discussie of de rechtbank terecht de aan de overtreder opgelegde boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) had herroepen omdat de verwijtbaarheid van de beboete werkgever ontbrak. De boete was overigens opgelegd omdat de werkgever de vreemdeling in kwestie zonder tewerkstellingsvergunning arbeid had laten verrichten. Dat levert een beboetbare overtreding op grond van artikel 2 Wav op. Volgens de rechtbank had de overtreder het maximale gedaan om overtreding van de Wav te voorkomen, zodat van boeteoplegging diende te worden afgezien. In hoger beroep stelt de minister SZW de door de rechtbank toegepaste verdergaande matiging ter discussie. Met zijn hoger beroep wil de minister bewerkstelligen dat de door hem met 50% gematigde boete alsnog in stand blijft. De overtreder had incidenteel hoger beroep ingesteld teneinde te voorkomen dat een gematigde boete in stand bleef.

Uitspraak Afdeling

Ondanks dat in hoger beroep enkel de vraag ter discussie stond of de door de rechtbank toegepaste verdergaande matiging terecht was, beoordeelt de Afdeling ambtshalve of de minister terecht een boete had opgelegd. Omdat het om een punitieve sanctie gaat, kan de door de minister betwiste verdergaande matiging van de opgelegde boete volgens de Afdeling namelijk niet los worden gezien van zijn bevoegdheid een boete op te leggen. Omdat de minister onvoldoende had onderzocht of de vreemdeling in kwestie zonder vergunning arbeid had mogen verrichten, is de boete in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel genomen. Daarom heeft de minister volgens de Afdeling niet aangetoond dat de werkgever de Wav heeft overtreden zodat hij niet bevoegd was een boete op te leggen. Conclusie in deze zaak is dat de boete door de rechtbank terecht is herroepen maar op verkeerde gronden.

In dit verband merk ik op dat de Afdelingsuitspraak niet helemaal zuiver is. Het ging strikt genomen niet om ‘verdergaande matiging’ door de rechtbank, maar om het herroepen van de door de Minister gematigde boete omdat de verwijtbaarheid ontbrak.

Gevolg voor de praktijk

Het bestuursorgaan dat een punitieve sanctie oplegt moet zich ervan bewust zijn dat de bestuursrechter de bevoegdheid om die sanctie op te leggen ambtshalve toetst. Dat kan betekenen dat ook wanneer de bevoegdheid om bijvoorbeeld een boete op te leggen in een procedure door de beboete (rechts)persoon niet wordt bestreden, hij om die reden toch onderuit kan gaan.