Op 26 november 2014 werd een richtlijn uitgevaardigd betreffende regels voor schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht. De omzetting naar nationaal recht moet ten laatste op 27 december 2016 zijn gebeurd. Hiermee zetten het Europees Parlement en de Raad volop in op de privaatrechtelijke afdwinging van het mededingingsrecht. De schade veroorzaakt door een inbreuk op het mededingingsrecht moet worden vergoed. 

Uniformiteit en toegang tot bewijsmateriaal 

De richtlijn wil enerzijds bereiken dat zodra de Europese Commissie of een nationale mededingingsautoriteit op definitieve wijze een inbreuk op het mededingingsrecht heeft vastgesteld, deze beslissing in elke lidstaat gebruikt kan worden als prima facie bewijs van de fout. 

Het causaal verband tussen deze fout en de schade zal nog steeds volgens het nationaal recht beoordeeld worden. De richtlijn bepaalt wel dat kartelinbreuken a priori vermoed worden schade te veroorzaken. 

Wat de schadebegroting betreft, wil de richtlijn dat zowel directe als indirecte afnemers een schadevergoeding kunnen verkrijgen, maar dat er geen sprake kan zijn van overcompensatie.

Daarom wordt het doorberekeningsverweer aanvaard. Indien een onderneming (bv. een producent) die een inbreuk heeft gepleegd op het mededingingsrecht, kan aantonen dat de eventuele meerkost die hierdoor is veroorzaakt voor een verdeler (bv. groothandelaar), volledig is doorgerekend aan een afnemer van die onderneming (bv. kleinhandelaar), dan zal deze geen schadevergoeding moeten betalen aan zowel de groothandelaar als de kleinhandelaar, maar enkel aan de kleinhandelaar. Indien deze ook de meerkost heeft doorgerekend aan de consument, zal alleen de consument een schadevergoeding krijgen. 

De schadevordering moet ook een realistische mogelijkheid zijn en daarom kan een dergelijke vordering maar verjaren na een termijn van minstens vijf jaar, die pas een aanvang neemt, ten vroegste (i) nadat de inbreuk op het mededingingsrecht is stopgezet, (ii) wanneer de eiser weet heeft of moest hebben dat er sprake is van een inbreuk op het mededingingsrecht en hij hierdoor schade heeft geleden en (iii) wanneer hij de identiteit van de inbreukmaker kent.

Anderzijds wil de richtlijn ook het bewijs om zo’n schadevordering te staven, vergemakkelijken. De benadeelde partij krijgt toegang tot bewijsmateriaal dat haar vordering kan staven als dat in handen is van derden of van de inbreukmaker of als het werd verzameld door de mededingingsautoriteiten. Hierop gelden echter twee belangrijke uitzonderingen.

Documenten uit een lopend onderzoek van een mededingingsautoriteit worden pas vrijgegeven nadat de procedure is beëindigd. Documenten neergelegd in het kader van een clementieregeling of schikkingsprocedure, worden nooit toegankelijk. Wie zou immers nog een clementieverzoek indienen, als dit nadien tegen hem kan gebruikt worden in het kader van een schadevordering.

De toegang tot deze bewijsstukken wordt uiteraard maar toegestaan indien het verzoek minstens door beschikbare feiten en bewijsmateriaal ondersteund wordt. De kosten en omvang van de toegang moeten aangepast worden aan wat evenredig is. Vertrouwelijke informatie zal eveneens adequaat beschermd moeten worden. 

Conclusie

In de toekomst zullen dus wellicht meer schadevorderingen worden ingesteld. Zeker nu dankzij de recent in het wetboek van economisch recht ingevoerde procedure van collectief verhaal, consumenten collectief geleden schade (materiële schade, maar ook lichamelijke en morele schade) op ondernemingen kunnen verhalen. Ondernemingen die op basis van ongeoorloofde kartelafspraken de prijs voor een bepaald product kunstmatig hoog hebben gehouden lopen in de toekomst nog meer dan nu, het risico de consumenten hiervoor te moeten vergoeden.