Op basis van de huidige regels bestaat, onder voorwaarden, recht op teruggaaf van BPM bij uitvoer van een auto naar een EU-land of EER-land (IJsland, Liechtenstein en Noorwegen). De teruggaaf wordt verleend aan de laatste kentekenhouder.

De overheid gaf voorheen ook teruggaaf van BPM bij tijdelijke registratie in een ander EU-land, gevolgd door uitvoer naar een niet-EU of niet-EER land. Dit lijkt echter nimmer de bedoeling te zijn geweest van de overheid en ook de EU-verdragsregels noopten daar niet toe. De ruimhartige regeling wordt nu aangescherpt.

Het is voorgesteld om met ingang van 1 januari 2016 de Wet BPM zo aan te passen dat teruggaaf van BPM wordt beperkt tot auto’s die niet ‘tijdelijk’ maar alleen nog ‘duurzaam’ worden ingeschreven in een ander EU- of EER-land (en als tevens aan andere voorwaarden wordt voldaan). De Eerste Kamer heeft het voorstel op 24 november 2015 als hamerstuk aangenomen.

Het BPM (handels)risico ligt bij de persoon die teruggaaf van BPM krijgt, zijnde de laatste kentekenhouder. Als ten onrechte BPM is terugbetaald dan kan naheffing plaatsvinden bij persoon aan wie is terugbetaald.

Voor de BPM maar ook voor de BTW is van belang dat de auto moet zijn uitgevoerd, dus fysiek buiten Nederland zijn gebracht.