Het Wetsvoorstel algemeen pensioenfonds introduceert een nieuwe pensioenuitvoerder naast de bestaande pensioenuitvoerders. Een Algemeen Pensioenfonds (APF) kan door iedereen worden opgericht en kan, aldus de regering bij het indienen van het wetsvoorstel, interessant zijn voor onder meer pensioenfondsen, vermogensbeheerders en verzekeraars. Voor het uitoefenen van het bedrijf van een APF is een vergunning van de Nederlandsche Bank (DNB) vereist.

In de consolidatieslag die op dit moment gaande is, moet het APF een alternatief bieden voor middelgrote en kleinere pensioenfondsen die op zoek zijn naar een nieuwe manier van pensioenuitvoering om hun uitvoeringskosten te bedwingen. De regering verwacht dat in de nabije toekomst 10 APF’en zullen worden opgericht; 5 in 2015 en de overige 5 in de periode 2016/2017.

DNB heeft aangegeven dat zij vergunningaanvragen wil voorbereiden voordat de Wet algemeen pensioenfonds in werking is getreden. Op die manier zou een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van een APF direct na invoering van de wet kunnen worden verleend.

Om het proces tot oprichting van een APF te versnellen, kunnen partijen nu al voorbereidingen treffen. Hieronder geven wij aan welke stappen gezet moeten worden voor de oprichting van een APF. Daarbij past het voorbehoud dat het wetsvoorstel nog wijzigingen kan ondergaan.

In de eerste plaats moet worden geïnventariseerd of een APF haalbaar is. Hiertoe worden gesprekken gevoerd met initiatiefnemers (onder andere werkgevers/pensioenuitvoerders), en worden de uitgangspunten geïnventariseerd. Daarbij staan de volgende vragen centraal:

  • Wat wordt de doelgroep en het verdienmodel? Hoe zal het APF zich in de markt positioneren? Wordt het een zelfadministrerend APF of zal het APF vooral werkzaam zijn in een netwerk van uitbestedingsrelaties?
  • Welk bestuursmodel wordt gekozen?
  • Welke typen pensioencontract wil het APF uitvoeren? En is de keuze aanbod of vraag gedreven?
  • Hoe verricht het APF zijn kerntaken: balansmanagement, rechtenadministratie, vermogensbeheer, informatieverschaffing?
  • Hoe worden de financiële verhoudingen tussen de collectiviteitkringen en het APF ingericht? Hoe wordt synergie bereikt met behoud van ringfencing?

Als de inventarisatie leidt tot de keuze voor een APF, kan al een aantal zaken worden geregeld. Zo kunnen de statuten al worden opgesteld. Hierin moet onder meer worden uitgewerkt welke pensioenregeling(en) en uitvoeringsovereenkomst(en) tot de collectiviteitkringen behoren. Daarnaast moet de governance in de statuten worden uitgewerkt.

Ook kan een model uitvoeringsovereenkomst worden opgesteld, die gebruikt kan worden voor werkgevers die hun pensioenregelingen door het APF laten uitvoeren. Er zal vaak sprake zijn van een gestandaardiseerde uitvoeringsovereenkomst die, naast de onderwerpen die nu al zijn voorgeschreven voor andere pensioenfondsen, de volgende onderdelen bevat:

  • de voorwaarden die gelden bij beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst;
  • afspraken over de toetreding tot of uittreding uit de beoogde collectiviteitkring;
  • afspraken over de uitvoerings- en toezichtkosten die ten laste worden gebracht van individuele collectiviteitkringen;
  • afspraken over de kwaliteit van de dienstverlening.

Tevens kan in dit stadium alvast een model pensioenreglement worden opgesteld.

Er moet ook worden nagedacht over de bedrijfsprocessen van het APF. De inrichting daarvan heeft zijn weerslag op de documentatie van het APF en vice versa. Denk bijvoorbeeld aan de beschrijving van de administratieve organisatie.

Vervolgens kan worden begonnen met het opstellen van een functieprofiel voor bestuurders en leden van de raad van toezicht van het APF. Eventueel kan zelfs een begin worden gemaakt met het werven van kandidaat-bestuurders en -leden van de raad van toezicht. Als wordt gekozen voor een onafhankelijk bestuur, kunnen ook leden van het belanghebbendenorgaan worden gezocht en benaderd.

Verder kunnen de reglementen worden opgesteld van het bestuur en – afhankelijk van het gekozen bestuursmodel – de andere organen van het APF. Ook andere documentatie kan worden voorbereid, zoals de ABTN, het financieel crisisplan en de verklaring inzake de beleggingsbeginselen.

DNB zal inzicht willen krijgen in de bedrijfsvoering op basis van een beschrijving van de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) en een businessplan. Ook deze documentatie kan nu alvast worden opgesteld.

Voorts kan worden onderzocht op welke wijze het APF de beschikking krijgt over voldoende werkkapitaal. De initiatiefnemers zullen ook moeten afwegen welke taken worden uitbesteed.

Belangrijkste kenmerken van een APF

Een APF is een nieuw type pensioenfonds in de zin van de Pensioenwet. Het komt dus naast het ondernemingspensioenfonds, bedrijfstakpensioenfonds beroepspensioenfonds, de PPI en de verzekeraar te staan. Het APF wordt in die zin een volwaardige pensioenuitvoerder dat deze, anders dan de PPI, eigenrisicodrager mag zijn. De uitvoering van een verplicht gestelde pensioenregeling door de APF is niet toegestaan.

Een APF biedt de mogelijkheid om voor een of meer werkgevers verschillende pensioenregelingen uit te voeren en daarvoor – per “collectiviteitkring” – afgescheiden vermogens aan te houden.

De belangrijkste kenmerken van een APF zijn:

  • Collectiviteitkring en juridisch afgescheiden vermogens

Een APF houdt voor iedere collectiviteitkring een juridisch (en niet enkel administratief) afgescheiden vermogen aan. De Pensioenwet kent nu de bepaling dat de pensioenregelingen die door een fonds worden uitgevoerd één geheel vormen. Dit betekent dat het gehele vermogen van een fonds bestemd is voor de nakoming van alle verplichtingen. Bij het APF wordt dit in zoverre anders dat statutair collectiviteitkringen kunnen worden gevormd. Het pensioenvermogen van kring 1 kan dan niet aangewend worden voor de pensioenverplichtingen van kring 2 en omgekeerd. Eén collectiviteitkring kan uit meerdere pensioenregelingen bestaan. Wij lezen dit zo dat verschillende werkgevers die een uitvoeringsovereenkomst met een APF sluiten de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit door hen gesloten pensioenovereenkomsten in dezelfde kring kunnen onderbrengen.

Een APF moet een basispensioenregeling en een vrijwillige pensioenregeling van dezelfde werkgever(s) in dezelfde collectiviteitkring onderbrengen. Ons is niet duidelijk of een werkgever die verplicht deelneemt in een bedrijfstakpensioenfonds een excedentregeling bij een APF mag onderbrengen. Voor de excedentregeling blijven de werkgevers die met een verplichtstelling te maken hebben dan toch aangewezen op het bedrijfstakpensioenfonds dat de basisregeling uitvoert.

Voor een optimale werking van een APF is het van groot belang dat de interne en externe werking van de scheiding van pensioenvermogens – oftewel ringfencing – goed in het wetsvoorstel is geregeld. Alleen op die manier komen de financiële risico’s terecht bij de collectiviteitkring waarin die hun oorsprong vinden. Het wetsvoorstel stelt daarom wettelijke eisen aan ringfencing die vervolgens door partijen moeten worden uitgewerkt. De werkingssfeer van een collectiviteitkring moet in de statuten worden vastgelegd. Dit gebeurt door omschrijving van de pensioenregelingen en vermelding van de uitvoeringsovereenkomsten die onderdeel uitmaken van de collectiviteitkring. In de huidige redactie van het wetsvoorstel betekent dit dat de statuten gewijzigd moeten worden wanneer er een nieuwe uitvoeringsovereenkomst wordt gesloten (of een bestaande eindigt), waarbij wordt vermeld in welke collectiviteitkring de nieuwe regeling wordt ondergebracht. Het is ook mogelijk dat een nieuwe collectiviteitkring wordt gevormd. Het wetsvoorstel zegt echter niets over het samenvoegen, opheffen of vormen van collectiviteitkringen. Zo te zien wordt dit aan de betrokkenen overgelaten. Wij denken dat bij de vorming de weg van een collectieve waardeoverdracht moet worden gevolgd. Het zou praktisch zijn als de wetgever bepaalt dat de vorming van een collectiviteitkring (en de opheffing daarvan) mogelijk is krachtens een overgang onder algemene titel. 

  • Karakter pensioenregelingen

Een APF staat open voor nieuwe pensioenregelingen en voor pensioenregelingen die op dit moment zijn ondergebracht bij ondernemingspensioenfondsen, niet-verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen en verplichtgestelde beroepspensioenregelingen. Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel kunnen rechtstreeks verzekerde pensioenregelingen ook door een APF worden uitgevoerd. Dat standpunt roept overigens wel vragen op. Wij nemen aan dat de rechtstreeks verzekerde regeling, doordat deze ‘invaart’ in een APF, aan een ander solvabiliteitsregime wordt onderworpen.

Een APF staat vooralsnog niet open voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen. Ook is het niet mogelijk voor een APF – anders dan bij een premiepensioeninstelling (PPI) – om vrijwillige pensioenregelingen (zoals een netto “Witteveen”-regeling) uit te voeren zonder ook de bijbehorende basisregeling uit te voeren. Deze beperkingen dragen niet bij aan de aantrekkingskracht van het APF. Wij zullen het toejuichen als deze beperkingen vervallen. Het zou treurig zijn als de wetgever na de multi-opf opnieuw een pensioenuitvoerder introduceert die vleugellam begint. 

  • Vergunningplicht

Het APF wordt onderworpen aan een vergunningplicht. De wetgever acht een voorafgaande toetsing door DNB noodzakelijk omdat het uitvoeren van verschillende pensioenregelingen in afgescheiden vermogens complex is. In beginsel staat het iedereen vrij een vergunning voor de een APF aan te vragen. De vergunningvereisten zullen nader bij algemene maatregel van bestuur worden uitgewerkt, maar zullen volgens de wetgever vergelijkbaar zijn met de vereisten die nu gelden bij een PPI. Het wetsvoorstel introduceert een meldingsplicht, die inhoudt dat het APF DNB binnen drie maanden informeert nadat het gebruik is gaan maken van een vergunning of een nieuw afgescheiden vermogen is gaan aanhouden. Het oprichten van een leeg APF – een “instapmodel” – waarbij in eerste instantie nog geen pensioenregelingen worden uitgevoerd, behoort daarmee tot de mogelijkheden. De vergunning kan dus worden aangevraagd zonder dat men er direct gebruik van hoeft te maken. 

  • Stichting als verplichte rechtsvorm

Een APF moet de rechtsvorm van de stichting hebben. Op basis van het voorontwerp kon een APF voor alle rechtsvormen kiezen, maar daarvan is dus afgestapt. In de praktijk komen andere rechtsvormen bijna niet meer voor en is de huidige governance alleen uit te werken in een stichting. Voor pensioenfondsen die op dit moment nog een andere rechtsvorm kennen, wordt een overgangsregime geïntroduceerd. 

  • Governance

Een APF kan kiezen uit alle bestuursmodellen die de Pensioenwet kent. Dit is een belangrijke wijziging ten opzichte van het voorontwerp, dat een APF slechts de keuze gaf tussen een onafhankelijk of een onafhankelijk gemengd bestuur. Het wetsvoorstel verbindt aan de keuze voor een bestuursmodel wel enkele specifieke vereisten die verband houden met de opzet van een APF. Elke onderneming, groep, bedrijfstak of beroepsvereniging die bij de APF is betrokken, moet vertegenwoordigd zijn in het bestuur bij de keuze voor één van de paritaire bestuursvormen. Hiervan mag niet worden afgeweken als meerdere ondernemingen die niet tot hetzelfde concern behoren in dezelfde collectiviteitkring zitten. Dit betekent dat de omvang van een paritair samengesteld bestuur toeneemt naarmate er meer collectiviteitkringen zijn. Dit zal lastig werken wanneer er veel werkgevers toetreden. Voor het APF is het te hopen dat de wetgever deze eis verzacht. Er zijn immers veel kleine werkgevers voor wie er op dit moment geen bedrijfstakpensioenfonds in de branche beschikbaar is. Oprichting van een eigen ondernemingspensioenfonds is voor hen evenmin een haalbare kaart. En dus blijft als enige optie over de pensioenregeling onder te brengen bij een verzekeraar. Juist voor die groep werkgevers kan het APF een aantrekkelijk alternatief zijn. Zij zullen over het algemeen een simpele standaardregeling aan hun werknemers willen aanbieden die goed in een collectiviteitkring kan worden ondergebracht. Om de bestuurlijke belasting van die werkgevers te beperken, zou vertegenwoordiging in het bestuur van het APF of een ander vertegenwoordigend orgaan optioneel moeten zijn. Vertegenwoordiging via één van de werkgeverskoepels zou een alternatief kunnen zijn.

  • Governance en collectiviteitkring

De regering meent dat een onafhankelijk bestuursmodel meer voor de hand ligt bij een APF met meerdere collectiviteitkringen. De collectiviteitkringen worden bij deze bestuursvorm immers niet vertegenwoordigd in het bestuur, maar hebben medezeggenschap via een belanghebbendenorgaan. Wij delen die opvatting, maar zoals wij hierboven al hebben aangegeven, blijft dit een lastige eis als er veel werkgevers toetreden.

Per collectiviteitkring moet één belanghebbendenorgaan worden ingesteld. Het belanghebbendenorgaan heeft alleen medezeggenschap over aangelegenheden van de eigen collectiviteitkring. Dit moet, aldus het wetsvoorstel, goed vastgelegd worden in het reglement van de desbetreffende belanghebbendenorganen. Het voorgaande geldt ook voor verantwoordingsorganen in geval van een paritair bestuur. Onduidelijk is echter hoe het samenspel van de organen werkt voor punten waarover men gezamenlijk moet oordelen. Wij houden het erop dat de wetgever dit aan de betrokkenen overlaat en zij dit dus zelf in statuten of reglementen mogen vaststellen. Het zal een APF niet zijn toegestaan om voor het intern toezicht te opteren voor een visitatiecommissie. Het APF moet dus kiezen voor een raad van toezicht, tenzij sprake is van een gemengd bestuur. Afgewacht moet worden of DNB de leden van het belanghebbendenorgaan van een APF zal aanmerken als beleidsbepalers. In dat geval moeten zij op geschiktheid en betrouwbaarheid worden getoetst door DNB. Bij het belanghebbendenorgaan van een “gewoon” pensioenfonds is dat de weg die DNB volgt.

Opvallend is dat het wetsvoorstel niet voorziet in een instemmingsrecht van de ondernemingsraad als de werkgever voornemens is een pensioenovereenkomst onder te brengen bij een APF (via een wijziging van artikel 27 van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) of artikel 23 lid 4 van de Pensioenwet). Mogelijk wordt dit meegenomen in de herziening van de WOR die op stapel staat. 

  • Werkkapitaal

Een APF moet beschikken over voldoende werkkapitaal. Het werkkapitaal dient ter dekking van de bedrijfsrisico’s en moet op elk moment aanwezig zijn. Partijen kunnen ervoor kiezen om dit kapitaal zelf in te brengen of tegen een vergoeding te lenen. Het zal lastig zijn dit vermogen als lening te verschaffen, omdat dit ongetwijfeld zal moeten gelden als eigen vermogen gedurende het bestaan van de APF. De vergelijking met de PPI dringt zich op; ook daar kunnen initiatiefnemers het aan de PPI verschafte vermogen pas opeisen wanneer de PPI haar activiteiten beëindigt en geen enkele verplichting meer heeft jegens derden. Partijen kunnen bepalen dat het werkkapitaal door de initiatiefnemers wordt aangezuiverd of dat hiervoor het vermogen van alle collectiviteitkringen wordt aangesproken.

Het vereiste om voldoende werkkapitaal aan te houden is nieuw en kwam niet voor in het voorontwerp. De vereisten rond het werkkapitaal zullen worden uitgewerkt bij algemene maatregel van bestuur. Over de hoogte tasten wij nog in het duister. Wellicht wordt bij de PPI aangesloten.

  • Fiscaliteit

Een APF kent dezelfde fiscale behandeling als andere pensioenfondsen. Dit betekent dat een APF in beginsel is vrijgesteld van vennootschapsbelasting als aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. In beginsel zal het APF aanspraak kunnen maken op een teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting. Daarnaast wordt, als aan de wettelijke voorwaarden (waaronder het maximale jaarlijkse opbouwpercentage) wordt voldaan, voor Nederlandse werknemers de zogeheten “omkeerregel” gehanteerd. Op basis van deze regel zijn de bijdragen die de werkgevers betalen voor het pensioen op dat moment niet belastbaar, terwijl de bijdragen die de werknemers zelf betalen wel aftrekbaar zijn. Enkel de latere uitkering van het pensioen wordt als loon beschouwd en dienovereenkomstig in de belastingheffing betrokken. 

  • Omzetting APF

Er bestaan twee manieren waarop nu geldende pensioenregelingen door een APF kunnen worden uitgevoerd. Ten eerste kan ervoor worden gekozen (een deel van) de pensioenregelingen onder te brengen in een APF en eventueel de bestaande pensioenuitvoerder te liquideren. Ten tweede kan worden besloten om een bestaande pensioenuitvoerder om te vormen tot een APF. Het wetsvoorstel bepaalt dat ook bij een omzetting van een pensioenfonds in een APF de bepalingen op het gebied van collectieve waardeoverdracht van toepassing zijn. Dit betekent dat bij een “omzetting” van een pensioenfonds in een APF, de (gewezen) deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden in staat moeten worden gesteld om bezwaar aan te tekenen tegen deze omzetting. Dwarsliggers kunnen op die manier de omzetting frustreren. Als bepaalde (gewezen) deelnemers, gewezen partners of pensioengerechtigden zich tegen de omzetting verzetten, kan de omzetting immers geen doorgang vinden. Als het bestaande pensioenfonds zal worden geliquideerd en er vervolgens een collectieve waardeoverdracht plaatsvindt naar een nieuwe APF, is hiervan geen sprake. In dat geval is het immers niet voorgeschreven dat deze groep belanghebbenden in de gelegenheid wordt gesteld bezwaar te maken.

  • Overig

Met de introductie van het APF vervalt de mogelijkheid om een multi-opf op te richten. Bestaande multi-opf’en krijgen in het wetsvoorstel een termijn van vijf jaar om zich om te vormen tot een APF of een andere vorm van uitvoering te kiezen.

Het wetsvoorstel beoogt tevens het aansluitingsbeleid van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen te beïnvloeden. Dit betekent dat een bedrijfstakpensioenfonds slechts in bepaalde gevallen een uitvoeringsovereenkomst kan sluiten met een bedrijfstak of deel van de bedrijfstak waarbij deelneming aan dat bedrijfstakpensioenfonds niet is verplicht gesteld. Dit kan bijvoorbeeld als sprake is van een bepaalde loonontwikkeling of van een groepsverhouding tussen de werkgever die zich vrijwillig wil aansluiten en een andere werkgever die al onder de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds valt. Deze voorwaarden zijn gelijk aan de regels die gelden voor vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds. Het wetsvoorstel doorbreekt hiermee de praktijk dat bedrijfstakpensioenfondsen hun werkingssfeer in hun statuten kunnen oprekken tot werkgevers die buiten de verplichtstelling vallen.