Op 1 januari 2015 is de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit (grotendeels) in werking getreden. Deze wet voorziet in verdergaande mogelijkheden om financieel-economische criminaliteit op te sporen en te vervolgen en voorts strenger te bestraffen. De maximale gevangenisstraffen voor verschillende financieel-economische delicten zijn verhoogd en voor ondernemingen is een flexibel boeteplafond geïntroduceerd, als gevolg waarvan de rechter – in plaats van de wettelijke maximum geldboete van EURO 810.000 – een geldboete kan opleggen van ten hoogste 10% van de jaaromzet.

Met deze wet zijn de strafbaarstellingen van misbruik van subsidiegelden en ambtelijke en niet-ambtelijke omkoping geactualiseerd en verruimd. Voorts zijn de strafmaxima ter zake van (de verschillende vormen van) omkoping en witwassen verhoogd. Voor ondernemingen is een flexibel boeteplafond geïntroduceerd, als gevolg waarvan de rechter – in plaats van de wettelijke maximum geldboete van EURO 810.000 – een geldboete kan opleggen van ten hoogste 10% van de jaaromzet. De mogelijkheid om gemaakte kosten op het wederrechtelijk verkregen voordeel in aftrek te brengen wordt beperkt. Tot slot wordt het "uit gewoonte" plegen van de lichtere categorie economische misdrijven, zoals genoemd in artikel 6 lid 1 onderdeel 2 Wet op de Economische Delicten (‘WED’), zelfstandig strafbaar gesteld. Stelselmatige overtreding van deze economische ordeningswetten kan worden bestraft met een gevangenisstraf van maximaal vier jaar of een geldboete van EURO 81.000. 

De wet heeft niet alleen tot gevolg dat ondernemingen en leidinggevenden hogere straffen en voordeelsontnemingen riskeren, de wet maakt ook een aanzienlijk ruimere inzet van opsporings- en dwangmiddelen tegen ondernemingen en hun leidinggevenden mogelijk. Als gevolg van de verhoging van het strafmaximum voor niet-ambtelijke omkoping en de strafbaarstelling van stelselmatige overtreding van de lichtere categorie economische misdrijven wordt het namelijk mogelijk om personen die van deze feiten verdacht worden ook anders dan in gevallen van heterdaad aan te houden en in voorlopige hechtenis te nemen. Voorts kunnen de opsporingsautoriteiten in toenemende mate overgaan tot het opnemen van telecommunicatie. Daarnaast is de verjaringstermijn voor niet-ambtelijke omkoping en (stelselmatige) overtreding van de WED verlengd van zes naar twaalf jaar, waardoor ondernemingen en leidinggevenden aanzienlijk langer het risico lopen aan vervolging te worden blootgesteld.

De procedure waarmee de inbeslagname van zogeheten ‘geheimhouderstukken’ wordt gewijzigd, zal pas op 1 maart 2015 in werking treden. 

Voor meer informatie over deze wet verwijzen wij naar een bijdrage van onze kantoorgenote Muriël Rosing in het tijdschrift Onderneming en Strafrecht in Praktijk (OSP).