CIVIEL

Geen verjaring bij vordering op kwaliteitsrekening

In het kader van een geschil met een belastingplichtige heeft de Ontvanger NLG 165.000,= gestort op de kwaliteitsrekening van een Stichting derdengelden van een advocatenkantoor. Bij vonnis is bepaald dat het bedrag onder de Stichting blijft tot de rechthebbende bekend is. De Stichting maakt nadien het bedrag over aan een van de betrokkenen bij dit geschil. Vervolgens wordt het vonnis vernietigd en na tien jaar verzoekt de Ontvanger de Stichting het bedrag aan haar uit te betalen. De Stichting beroept zich op verjaring. De Hoge Raad oordeelt op grond van de overeenkomstige toepassing van artikel 25 Wet op het notarisambt (zie HR 13 juni 2003, NJ 2004/196) dat de Stichting bij uitsluiting bevoegd is tot beheer en beschikking van de kwaliteitsrekening. In de aard van een kwaliteitsrekening ligt besloten dat de Stichting zich tegenover een rechthebbende niet kan beroepen op verjaring van een vordering tot uitbetaling van diens aandeel. Een rechthebbende heeft te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de kwaliteitsrekening.

ECLI:NL:HR:2017:1139

STRAF

Standaardarrest samenloop en voortgezette handeling

De HR wijdt in dit standaardarrest algemene beschouwingen aan eendaadse en meerdaadse samenloop en de voortgezette handeling. De HR benadrukt dat een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling. Voor eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in tijd opvolgende, gedragingen zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. Het voorgaande brengt volgens de HR mee dat het toepassingsbereik van de regelingen ruimer is dan wellicht uit eerdere rechtspraak kon worden afgeleid.

ECLI:NL:HR:2017:1115