1.   Crisisheffing niet strijdig met eigendomsrecht artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM

Inleiding

Vandaag heeft de Hoge Raad in twee arresten geoordeeld dat de crisisheffing, inclusief verlenging daarvan, niet in strijd komt met het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (artikel 1 EP EVRM).

Crisisheffing

In 2013 moesten inhoudingsplichtigen (werkgevers) 16% crisisheffing betalen voor zover zij in 2012 per werknemer meer dan EUR 150.000 aan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking hadden betaald. De wetgever had de heffing aanvankelijk als ‘eenmalig’ voorgesteld, maar heeft deze heffing met een jaar verlengd. De maatregel was volgens de wetgever nodig om het begrotingstekort terug te dringen.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de crisisheffing niet in strijd is met het wettelijke systeem van de loonbelasting, geen ongeoorloofde discriminatie vormt ten opzichte van werkgevers die geen werknemers in dienst hebben met een loon van meer dan EUR 150.000 en ook geen (verboden) onderscheid maakt tussen werknemers of ten opzichte van ondernemers dan wel resultaatgenieters. Wat betreft de vraag of de terugwerkende kracht die aan de invoering van de crisisheffing is gegeven een ongeoorloofde inbreuk op het ongestoorde recht op eigendom (artikel 1 EP EVRM) vormt, oordeelt de Hoge Raad als volgt.

De Hoge Raad overweegt dat burgers er in redelijkheid niet op kunnen vertrouwen dat belastingtarieven ongewijzigd zullen blijven. Echter, inhoudingsplichtigen mochten er tot de aankondiging van de crisisheffing in goed vertrouwen van uitgaan dat zij voor het door hun werknemers in die periode genoten loon niet zwaarder zouden worden belast, dan onder de toen geldende wetgeving. Als gevolg hiervan zou geen sprake zijn van de door artikel 1 EP EVRM vereiste ‘fair balance’, tenzij er specifieke en dwingende redenen aanwezig zijn op grond waarvan de wetgever deze verwachtingen mocht aantasten. Volgens de Hoge Raad weegt het belang van de wetgever om het begrotingstekort te dichten in het licht van de (toenmalige) ernstige aard van de begrotingsproblemen, in aanmerking nemende de eenvoudigheid en de uitvoerbaarheid van de regeling, zwaarder. Ook de verlenging van de crisisheffing komt niet in strijd met artikel 1 EP EVRM.

Gevolgen arresten

Het arrest over de ‘eerste crisisheffing’ betrof een individueel geval, maar heeft gevolgen voor de lopende (proef) procedures tegen de crisisheffing. In de lopende proefprocedures tegen de crisisheffing spelen dezelfde argumenten een rol. De verwachting is zonder meer gewettigd dat de Hoge Raad in die zaken op gelijke wijze belastingplichtigen in het ongelijk zal stellen. Slechts in individuele gevallen zou mogelijk nog sprake kunnen zijn van een individuele en buitensporige last die in strijd is met artikel 1 EP EVRM. De Hoge Raad geeft hiervoor geen maatstaf. De bewijslast, dat sprake is van een individuele en buitensporige last, rust op belanghebbende en lijkt gelet op eerdere uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven zwaar.

2.      Belgisch loon grensarbeider niet herrekend met toepassing van de 30%-regeling.

Het belastingverdrag Nederland-België voorziet in een compensatieregeling voor inwoners van Nederland die (mede) in België werken en worden geconfronteerd met een hogere belastingdruk in België en/of het verlies van het voordeel van aftrekposten. Om het nadeel vast te stellen wordt een schaduwberekening gemaakt. De compensatie bedraagt het verschil tussen de feitelijk verschuldigde Nederlandse en Belgische belasting en premies volksverzekeringen, en de Nederlandse belasting en premies volksverzekeringen die verschuldigd zouden zijn als het loon in Nederland zou zijn verdiend en belast. De vraag in een door een inwoner van Nederland, die in Nederland en België werkte, en gebruik maakte van de 30%-regeling, aangespannen zaak was of bij het maken van de schaduwberekening op het Belgische deel van het loon de 30%-regeling mocht worden toegepast.

Hoge Raad volgt de conclusie van de A-G. Bij de berekening van de compensatie mag in de schaduwberekening de 30%-regeling niet worden toegepast op het Belgische loon. Dit betekent dat in de schaduwberekening de Nederlandse belasting die zou zijn verschuldigd hoger wordt en het te compenseren nadeel dus lager (zie ook onze eerdere flash van 14 oktober 2015, L&A E-Flash 147).

3.      Driemaandeneis bij verandering van werkgever

Als een werknemer aan wie de 30%-regeling is toegekend van werkgever verandert, kan de 30%-regeling onder voorwaarden worden voortgezet bij een nieuwe werkgever. Een van die voorwaarden is dat de periode tussen het einde van het dienstverband en het begin van de nieuwe dienstbetrekking niet meer dan drie maanden bedraagt. Duurt het langer, dan komt de schaarse specifieke deskundigheid in het geding. Een Indiase werknemer, die niet binnen die driemaandenperiode een nieuwe werkgever vond (mede om privé-redenen), was van mening dat onder omstandigheden een langere periode van toepassing zou moeten kunnen zijn. Een van de argumenten was dat de driemaandentermijn slechts een indicatie is en dat de 30%-regeling kan worden voortgezet indien anderszins van schaarse en specifieke deskundigheid van de werknemer blijkt.

De A-G concludeert dat alleen in uitzonderlijke gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op de driemaandentermijn, bijvoorbeeld als de werknemer door overmacht een tijd lang niet in staat was om een nieuwe baan te zoeken. Dit was niet aan de orde in deze procedure.

De Hoge Raad is met het Hof en de A-G van mening dat de regeling geen ruimte laat om bij overschrijding van de driemaandstermijn op andere wijze aannemelijk te maken dat de belanghebbende over schaarse specifieke deskundigheid beschikt en derhalve toch in aanmerking blijft komen voor toepassing van de 30%-regeling. Kortom, de Hoge Raad is van mening dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op voortzetting van de 30%-regeling.