Op 8 juli 2016 heeft de Hoge Raad een lezenswaardige uitspraak gedaan over het leerstuk van de onrechtmatige overheidsdaad. In deze zaak werd schadevergoeding gevorderd vanwege een onrechtmatige weigering van een vergunning.

De gemeente had de vergunning geweigerd terwijl deze ondertussen eigenlijk fictief verleend was. De procedure daarover duurde in totaal drie jaar en werd gevoerd tot aan de Raad van State. Vervolgens is EUR 770.577,-- schade gevorderd wegens het mislopen van een subsidie, die kennelijk wel was verkregen als de vergunningaanvraag naar behoren was behandeld. Het ging hierbij om een aanvraag voor een bouwvergunning voor de vervanging van de turbinegondel van een windturbine in de gemeente Noordoostpolder. De rechtbank wees de vordering net zoals het hof af, maar de Hoge Raad heeft dat omgedraaid. Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt vernietigd en de zaak wordt voor een nieuw oordeel verwezen naar het hof 's-Hertogenbosch.

Wat was er nu zo belangwekkend? Het hof heeft de vordering afgewezen omdat de eiser niet de aanvrager was van de bouwvergunning, maar een opstalgerechtigde die inmiddels haar baten en lasten via een bepaalde juridische constellatie had ondergebracht bij een derde, opvolgende rechtspersoon. Het hof meende dat nu deze eiser bij het besluit op de aanvraag om een bouwvergunning niet zou zijn aan te merken geweest als belanghebbende in de zin van de Awb, hij ook geen schadevergoeding kon vorderen.

De Hoge Raad maakt korte metten met deze redenatie:

"Anders dan het hof heeft geoordeeld, is voor aansprakelijkheid jegens een benadeelde op grond van de door [eisers] in deze zaak ingeroepen normen, niet vereist dat de benadeelde belanghebbende is in de zin van de Awb. Denkbaar is immers dat de belangen van bepaalde "derden", kenbaar voor het bestuursorgaan, in zodanige mate betrokken zijn bij een besluit, dat het bestuursorgaan ook jegens deze derden - afhankelijk van de verdere omstandigheden van het geval - in strijd kan handelen met de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid door die normen niet in acht te nemen (vgl. HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579, NJ 2013/47). Hetgeen [eisers] hebben aangevoerd, komt erop neer dat in hun geval van een zodanige kenbare betrokkenheid sprake is en dat daarom onrechtmatig jegens hen is gehandeld."

De Hoge Raad laat kortom duidelijk zien dat er niet te lichtzinnig omgesprongen moet worden met een beroep op onrechtmatige overheidsdaad. Niet alleen belanghebbenden kunnen de aansprakelijkheid inroepen, maar ook derden. Dit betekent dat de Hoge Raad de reikwijdte van de aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige overheidsdaad opmerkelijk genoeg breder acht dan de onrechtmatige overheidsdaad an sich in het bestuursrecht, wat nu juist het rechtsgebied is waarin de 'fout' werd begaan. Wij zijn benieuwd naar de vervolguitspraak.

Lees hier de volledige uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli.