In zijn arrest van 27 november 2014 moest het Grondwettelijk Hof zich uitspreken over een vernietigingsberoep dat werd ingesteld door de Beroepsvereniging van de Vastgoedsector (BVS/UPSI) en de Federatie van Belgische Parkings (FBS). De beroepsorganisaties viseerden daarbij enkele bepalingen over het parkeerbeleid in het Brusselse Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing (BWLKE).

Het arrest van het Hof past in de controverse over de verkeersopstopping in en rond Brussel en de plannen voor een uitbreiding van de voetgangerszone in het centrum van de stad.

De nieuwe bepalingen van de BWLKE over het parkeerbeleid (die in werking zijn getreden op 5 februari 2014) voorzien in een reductie van het aantal parkeerplaatsen in en rond kantoorgebouwen. Deze reductie is bedoeld om pendelaars te ontmoedigen om de wagen te nemen voor hun woon-werkverkeer.

De nieuwe bepalingen zijn van toepassing zowel op nieuwe als op bestaande kantoorgebouwen.

Voortaan zal de vergunningverlenende overheid bij elke verlenging of hernieuwing van de milieuvergunning een maximum aantal parkeerplaatsen bepalen, rekening houdende met de volgende factoren:

  1. de vloeroppervlakte van het kantoorgebouw in m2,
  2. de mate waarin het gebouw bereikbaar is met het openbaar vervoer.

In geval van overschrijding van het maximale aantal parkeerplaatsen, beschikt de houder van de milieuvergunning over de volgende mogelijkheden:

  • Het aantal parkeerplaatsen verminderen of de overtollige parkeerplaatsen bestemmen tot een ander gebruik;
  • De overtollige parkeerplaatsen ter beschikking stellen van het publiek of de omwonenden;
  • De overtollige parkeerplaatsen behouden en er een jaarlijkse belasting voor betalen (tussen 250 EUR en 450 EUR, afhankelijk van de zone waarin het kantoorgebouw zich bevindt).

In zijn arrest van 27 november 2014, verklaart het Grondwettelijk Hof de nieuwe bepalingen van de BWLKE grondwettig en verwerpt het alle middelen die, ter staving van het vernietigingsberoep, waren ingeroepen door de verzoekers.

Volgens het Hof houden de bepalingen van de BWLKE geen onevenredige beperking in van het eigendomsrecht, omdat de overtollige parkeerplaatsen niet noodzakelijk moeten verdwijnen.

De nieuwe parkeerreglementering schendt evenmin de legitieme verwachtingen van de vergunninghouders. De rechten waarover zij beschikken op grond van hun milieuvergunning, zijn immers steeds beperkt in de tijd.

Het Hof merkt daarnaast ook op dat het aantal toegelaten parkeerplaatsen niet mag worden gewijzigd tijdens de geldigheidsduur van de milieuvergunning. Op die manier worden de bestaande rechten van de vergunninghouders voldoende beschermd.

Het feit dat er bij de bouw van vele kantoorgebouwen rekening werd gehouden met de omzendbrief De Saeger (daterend van 17 juni 1970), die een minimum aantal parkeerplaatsen oplegde voor elk nieuw gebouw, doet hieraan afbreuk. Het Hof merkt op dat de overheid vrij is "om haar stedenbouwkundig of milieubeleid te wijzigen". Bovendien is de Brusselse ordonnantiegever vrij "om af te wijken van de door de uitvoerende macht tot stand gebrachte regels".

Verder is het opmerkelijk dat het Hof uitdrukkelijk verwijst naar het recht op een gezond leefmilieu, waarvan de bescherming wordt gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet. Het Hof verwijst ook naar de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens om de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Brusselse ordonnantiegever inzake het parkeerbeleid te verantwoorden.

Het Hof benadrukt ook op dat het milieubeleid een "centrale rol speelt in het sociaal en economisch beleid van de moderne samenleving" en dat de maatregelen van de BWLKE wettige doelstellingen beogen, namelijk de verbetering van de luchtkwaliteit, de strijd tegen de klimaatopwarming en de ontlasting van het wegverkeer.

Het Grondwettelijk Hof komt dan ook tot de conclusie dat de bepalingen van de BWLKE inzake het parkeerbeleid, evenredig zijn met de beoogde wettige doelstellingen en dus grondwettig zijn.