Vanaf 1 januari 2015 geldt voor warmtemeters die op de markt worden gebracht dat zij aan voorschriften moeten voldoen. Hiermee is een nieuwe toezichthouder toegetreden tot het warmtedomein: Verispect. Ook geldt vanaf 1 januari 2015 de maximumprijs levering warmte 2015. Daarnaast is de Warmtewet per 1 januari 2015 gewijzigd door de inwerkingtreding als gevolg van wijzigingen samenhangend met het energierapport 2011. Voorts heeft de Minister van Economische Zaken aangekondigd dat een wetswijziging wordt voorbereid om een aantal geconstateerde knelpunten in de uitvoering van de Warmtewet op te lossen. Dit wetsvoorstel wordt in het voorjaar van 2015 verwacht. Ten slotte heeft de directeur Energie van toezichthouder ACM recent het omstreden NMDA-principe, de kern van de Warmtewet, ter discussie gesteld.

Warmtemeters

Op 1 januari 2015 is artikel 8, zesde lid, van de Warmtewet in werking getreden. Dit artikel bepaalt dat bij of krachtens AMvB regels worden gesteld omtrent de eisen waaraan een meetinrichting ten minste moeten voldoen. Bij de invoering van de Warmtewet was aangegeven dat gelet op de verwachte toename van het aantal warmtemeters, de wenselijkheid van de verplichting om enkel geijkte warmtemeters te plaatsen zou worden bezien (TK 32 839, nr. 3, p. 16). Invoering van deze verplichting wordt nu, gezien de toename van het aantal warmtemeters en na overleg met het bedrijfsleven, wenselijk geacht. Ter uitvoering hiervan is allereerst het toepassingsbereik van de Metrologiewet uitgebreid met warmtemeters. Doel van de Metrologiewet is ervoor te zorgen dat juist en nauwkeurig wordt gemeten met meetinstrumenten. Via lagere regelgeving gebaseerd op de Metrologiewet worden kwaliteitseisen aan de warmtemeters gesteld.

De eisen gelden voor warmtemeters die worden gebruikt voor de meting van de geleverde warmte aan afnemers met een aansluiting tot aan 100 kW (art. 2, onderdeel g, jo. 4, onderdeel g Meetinstrumentenbesluit I, artikel 1, onderdeel h Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten), waarmee wordt aangesloten bij het begrip ‘verbruiker’ in art. 1, sub g Warmtewet. Bij blokverwarming worden echter grotere meters geplaatst ter meting van de totale hoeveelheid geleverde warmte die vervolgens wordt doorberekend aan verbruikers. Ook deze meters vallen onder het Meetinstrumentenbesluit I, doordat wordt gesproken over ‘voor huishoudelijk gebruik’ in art. 2 sub g Meetinstrumentenbesluit I.

De uitbreiding van de reikwijdte en de kwaliteitseisen zijn te vinden in het Meetinstrumentenbesluit I. Dit besluit betreft een implementatie van Richtlijn 2004/22 betreffende meetinstrumenten, Pb. 2004, L 135. In Bijlage 1 (essentiële eisen) en Bijlage MI-001 (specifieke eisen warmtemeters ten behoeve van verkrijging CE-markering) van deze richtlijn zijn de eisen aan warmtemeters terug te vinden. In de richtlijn worden drie klassen warmtemeters onderscheiden. De warmtemeters moeten op grond van het Meetinstrumentenbesluit I minimaal voldoen aan klasse 3, hiervoor gelden de minst strenge nauwkeurigheidseisen (zij Bijlage MI-001, randnr. 5). Sinds 1 januari jl. mogen dus uitsluitend warmtemeters in de handel worden gebracht en geïnstalleerd die voldoen aan deze eisen. Met deze wijziging wordt aangesloten bij de wijze waarop de warmtemeters in andere EU-lidstaten zijn gereguleerd en de verplichtingen die gelden voor het gebruik van gas- en elektriciteitsmeters. In art. 9 van het Meetinstrumentenbesluit I is bepaald dat bij ministeriele regeling eisen kunnen worden gesteld die gelden in de gebruiksfase.

Hiertoe is per 1 januari 2015 de Regeling Gebruik en Installatie EU-meetinstrumenten aangepast. Deze Regeling bevat eisen voor het installeren van warmtemeters en voor in gebruik genomen warmtemeters (art. 8a). Na ingebruikname moeten de meters voldoen aan de toepasselijke essentiële eisen van bijlage MI-004 van de hiervoor genoemde Richtlijn meetinstrumenten, met dien verstande dat de maximaal toelaatbare fout in onderdeel 3 van Bijlage MI-004 telkens met de factor 2 wordt vermenigvuldigd en aan de essentiële eisen van bijlage 1 van de Richtlijn. Voor warmtemeters die op 1 januari 2015 in gebruik zijn, geldt een overgangsregeling van 10 jaar voor meters die wel voldoende nauwkeurig zijn, maar niet voldoen aan de overige eisen van de Richtlijn. Denk hierbij aan opschriften en markeringen. Na deze periode moeten ook deze meters voldoen aan de Regeling Gebruik en installatie EU-meetinstrumenten. Het is de installateur die verplicht is vast te stellen of de warmtemeter geschikt is voor correcte meting.

Verispect houdt toezicht op de naleving van de regelgeving gebaseerd op de Metrologiewet. Op verzoek van de Minister heeft Verispect aangeven dat zij de regelingen uitvoerbaar en handhaafbaar acht. Met name stelt zij dat de handhaafbaarheid verzekert lijkt ten aanzien van warmtemeters die vallen onder de warmtemeterpool van VMNED vallen. Ten aanzien van warmtemeters die nu nog vallen buiten de warmtemeterpool acht Verispect het waarschijnlijk dat het drie tot vijf jaar duurt alvorens de metrologische betrouwbaarheid van de meeste daarvan is gewaarborgd. ACM, de toezichthouder op basis van de Warmtewet, heeft geen wettelijke taak ten aanzien van het metrologisch toezicht op warmtemeters.

Op grond van artikel 8, zesde lid, Warmtewet worden regels gesteld ten aanzien van de beveiliging van meetgegevens. Op 1 januari 2015 is dit artikel in werking getreden en tegelijkertijd is het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen gewijzigd. In art. 5a van dit Besluit wordt gedefinieerd wat een op afstand uitleesbare meetinrichting voor warmte is. Hiervoor is aangesloten bij de functionaliteiten waarover de huidige generatie warmtemeters beschikt. Daarnaast is een aantal andere bepalingen toepasbaar verklaard, die al golden voor op afstand uitleesbare meetinrichtingen voor elektriciteit en gas. Zo worden er eisen gesteld aan de beveiliging van de meter, waaronder beveiligingsmaatregelen ter bescherming van persoonsgegevens (art. 6). Ook is het nu mogelijk om bij ministeriele regeling eisen te stellen aan de kwaliteit van de warmtemeter (art. 7).  Deze regeling heeft dan geen betrekking op zogenoemde warmtekostenverdelers die worden bevestigd op radiatoren; dit zijn relatieve meters en geen meetinstrumenten in de zin van de richtlijn meetinstrumenten en de Metrologiewet. Aangekondigd is dat voor op afstand uitleesbare kostenverdelers door de sector een gedragscode wordt opgesteld om de beveiliging van meetgegevens te borgen.

Besluit Maximumprijs levering warmte

De daling van de leveringsprijs van gas leidt door het Niet Meer dan Anders-principe (waarover hieronder nog meer volgt) ook tot lagere warmteprijzen. De maximumprijs voor de levering van warmte in 2015 is EUR 281,78 (vast) en EUR 22,64 per verbruikte gigajoule warmte.

Het meettarief is verhoogd van EUR 24,54 naar EUR 24,78 in 2015. De eenmalige aansluitbijdrage 2015 voor nieuwe aansluitingen is vastgesteld op EUR 928,01. Bij een aansluiting boven de 25 meter komt er EUR 32,51 per meter bij. In overzicht:

Click here to view table.

Aangezien het grootste deel van de eindafrekening wordt veroorzaakt door het variabele tarief, daalt in 2015 voor een gemiddeld huishouden de warmterekening met EUR 20 (Bron:https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/13675/Prijs-voor-warmte-daalt-met-20-euro/).

Wijzigingen samenhangend met energierapport 2011

De bepalingen die ingevolge dit besluit op 1 januari 2015 in werking zijn getreden, zien op regels inzake garanties van oorsprong voor duurzame warmte uit hernieuwbare energiebronnen. In art. 1 definities worden vijf definities toegevoegd: hernieuwbare energiebronnen, warmte uit hernieuwbare energiebronnen, garantie van oorsprong voor warmte uit hernieuwbare energiebronnen, meetbedrijf en productiemeetgegevens. Na hoofdstuk 7 van de Warmtewet worden 5 artikelen toegevoegd die zien op Garanties van Oorsprong.

Aangekondigde wetwijziging

In de brief van Minister Kamp van 7 juli 2014 heeft hij aangekondigd dat in het voorjaar van 2015 een voorstel tot wijziging van de Warmtewet bij de Tweede Kamer zal indienen. In dit voorstel zullen de volgende punten worden meegenomen:

  • Verduidelijken van een aantal definities in de Warmtewet. Hierbij noemt de Minister in elk geval de begrippen verbruiker, leverancier, warmtewisselaar en afleverset die verduidelijking behoeven.
  • Uitzonderen van Vereniging van Eigenaren (VvE) met gebouw gebonden installaties van de verplichtingen die op grond van de Warmtewet voor een leverancier gelden. De gedachte hierachter is dat de verhouding tussen een VvE als warmteleverancier en afnemers een fundamenteel andere is dan van overige leveranciers en hun afnemers. Deze eerste afnemers zijn niet te kwalificeren als gebonden gebruikers waarop de bescherming van de Warmtewet zich richt.
  • Het toestaan van correctiefactoren voor de ligging van de woning en transportleidingen. Voor leidingverliezen bij collectieve ketelinstallaties in een ketelhuis geldt niet dat deze mogen worden verdeeld onder de verbruikers. Deze verliezen zijn reeds verdisconteerd in de maximumprijs aldus de Minister. Deze opmerking is lastig te plaatsen, omdat de maximumprijs van warmte is gebaseerd op het NMDA-principe en daarmee is gekoppeld aan de kosten van levering van gas. Het maximumtarief heeft geen enkele band met de daadwerkelijke kosten die gemaakt worden voor de levering van warmte.

In deze brief geeft de Minister aan dat hij de ACM vooruitlopend op de wetswijziging zal vragen om bij de handhaving van de Warmtewet hiermee rekening te houden. Hierover heeft de Minister op 1 oktober 2014een brief gestuurd aan de ACM. Inmiddels heeft de ACM op haar website bericht hoe zij als toezichthouder omgaat met de voorgenomen aanpassingen.

Onderzoek NMDA-principe

Recent heeft de ACM aangekondigd dat zij wenst dat onderzoek wordt gedaan naar het Niet-Meer-Dan-Anders-principe van de Warmtewet. Volgens dit principe mogen consumenten die energie verkrijgen via een warmtenet niet duurder uit zijn dan wanneer ze met een gasaansluiting via een CV-ketel van energie zouden worden voorzien. De ACM heeft de vraag opgeworpen of voor de lange termijn wel aan dit principe moet worden vastgehouden. Reden hiervoor is dat de ACM heeft geconstateerd dat initiatieven voor duurzame warmtenetten moeilijk van de grond komen als de kosten niet gedekt kunnen worden door de inkomsten. De ACM doet de suggestie onderzoek te doen naar alternatieven voor het NMDA-principe en verwijst daarbij naar de tariefregulering voor de regionale netbeheerders van gas- en elektriciteitsnetten. Volgens die regulering zijn de maximumtarieven die aan consumenten in rekening mogen worden gebracht gebaseerd op de efficiënte kosten inclusief een redelijk rendement.

Het is opmerkelijk dat eerst nu wordt voorgesteld om een dergelijk onderzoek naar alternatieve regulering in gang te zetten, nadat de Warmtewet een zeer langdurige totstandkomingsgeschiedenis heeft doorlopen en net een jaar geleden in werking is getreden. Niettemin is in het licht van gewenste investeringen in warmtenetten in Nederland de vraag die de ACM opwerpt een vraag waar je niet (langer) omheen kunt.